Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
(0548) 54 00 54 (G.J. Steunenberg)
ECLI:NL:CBB:2024:388 
 
Datum uitspraak:11-06-2024
Datum gepubliceerd:11-06-2024
Instantie:College van Beroep voor het bedrijfsleven
Zaaknummers:21/983 21/1011 en 21/1036
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Boetes op grond van de Meststoffenwet en de Wet dieren. De boetebesluiten zien op de onjuiste vermelding van hoeveelheden vervoerde mest en de gang van zaken rond het vervoer, de opslag en afvoer van mest.
Trefwoorden:agrarisch
dierlijke meststoffen
gebruiksnormen
landbouw
landbouw, natuur en voedselkwaliteit
meststoffen
meststoffenwet
stallen
vervoersbewijs dierlijke meststoffen
Wetreferenties:Meststoffenwet
Wet dieren
 
Uitspraak
uitspraak












COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 21/983, 21/1011 en 21/1036

uitspraak van de meervoudige kamer van 11 juni 2024 op de hoger beroepen van:

1. [naam 1] B.V. te [plaats 1] ( [naam 1] BV)

2. [naam 2] B.V. te [plaats 1] ( [naam 2] BV)
(gemachtigde: mr. M.J.J.E. Stassen),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 juli 2021 kenmerken 20/173, 20/982 en 20/983, in de gedingen tussen


[naam 1] BV en [naam 2] BV

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
(gemachtigden: mr. A.R. Aladin (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, RVO), mr. A.F.D. Weken en mr. E.M. Scheffer (beiden Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, NVWA)

en

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) (de Staat).





Procesverloop in hoger beroep


[naam 1] BV en [naam 2] BV hebben elk afzonderlijk hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 29 juli 2021 (ECLI:NL:RBROT:2021:7365) (aangevallen uitspraak).

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zitting was op 1 mei 2024. De zaak is tegelijkertijd behandeld met de zaak geregistreerd onder het nummer 21/1012. Aan de zitting hebben deelgenomen: de gemachtigden van partijen. Verder was aanwezig [naam 3] (toezichthouder NVWA).




Grondslag van het geschil


1.1
Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.



1.2
Op 11 september 2018 hebben toezichthouders van de NVWA een controle uitgevoerd op de naleving van de Meststoffenwet (Msw) en gerelateerde regelgeving bij [naam 4] B.V. ( [naam 4] ) op de locatie [adres 1] te [plaats 2] (gemeente [plaats 1] ). Op 27 november 2018 hebben de toezichthouders in totaal drie rapporten van bevindingen opgemaakt. Daarin is vermeld dat is geconstateerd dat [naam 1] BV en [naam 2] BV overtredingen hebben begaan van onder meer de Msw.



1.3
Bij besluit van 14 december 2018 (boetebesluit I (boetezaaknummer [… 1] )) heeft de minister aan [naam 1] BV twee boetes opgelegd van elk € 300,- wegens overtredingen van bepalingen uit de Msw, het Uitvoeringsbesluit Msw en de Uitvoeringsregeling Msw. Volgens de minister heeft [naam 1] BV als leverancier bij het vervoer van een vracht dierlijke meststoffen geen Vervoersbewijs Dierlijke Meststoffen (VDM) opgemaakt (feitcode M300) en heeft zij een vracht vaste mest die zij heeft laten afvoeren naar het buitenland niet tijdens het laden laten bemonsteren (feitcode M581).



1.4
Bij besluit van 21 december 2018 (boetebesluit II (boetezaaknummer [… 2] )) heeft de minister aan [naam 2] BV zes boetes opgelegd (met een totaalbedrag van€ 1.800,-) wegensovertredingen van bepalingen uit de Msw, het Uitvoeringsbesluit Msw en de Uitvoeringsregeling Msw.
Volgens de minister heeft [naam 2] BV als vervoerder van dierlijke meststoffen:- vervoersgegevens niet op de juiste manier vastgelegd (feitcode M259) (€ 300,-),
- bij één vracht dierlijke meststoffen geen VDM opgemaakt (feitcode M300) (€ 300,-),
- een VDM met nummer [… 3] niet volledig opgemaakt (feitcode M302) (€ 200,-),
- VDM’s met de nummers [… 4] en [… 5] niet naar waarheid opgemaakt (feitcode M303) (€ 600,-),
- een melding van daadwerkelijk transport niet volledig en/of naar waarheid gedaan (feitcode M486) (€ 200,-), en
- een melding niet direct elektronisch ingetrokken bij de RVO toen een transport niet doorging of niet ging op de manier die was gemeld (feitcode M491) (€ 200,-).



1.5
Bij besluit van 20 maart 2019 (bestreden besluit I), waartegen het beroep van [naam 1] BV bij de rechtbank was gericht, heeft de minister het bezwaar van [naam 1] BV tegen het boetebesluit I ongegrond verklaard.



1.6
Bij besluit van 20 maart 2019 (bestreden besluit II), waartegen het beroep van [naam 2] BV bij de rechtbank was gericht, heeft de minister het bezwaar van [naam 2] BV tegen het boetebesluit II ongegrond verklaard.



1.7
Bij besluit van 29 maart 2019 (boetebesluit III (boetezaaknummer [… 6] )) heeft de minister een boete opgelegd aan [naam 2] BV van in totaal € 7.500,- wegens overtredingen van bepalingen uit de Verordening (EU) Nr. 142/2011 van de Commissie van 25 februari 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten (Verordening 1069/2009) en tot uitvoering van Richtlijn 97/78/EG van de Raad wat betreft bepaalde monsters en producten die vrijgesteld zijn van veterinaire controles aan de grens krachtens die richtlijn (Verordening 142/2011), Verordening 1069/2009, de Wet dieren en de Regeling dierlijke producten. De minister heeft [naam 2] BV als exploitant voor drie feiten beboet:
- zij heeft er niet op toegezien dat dierlijke bijproducten tijdens het vervoer vergezeld gingen van handelsdocumenten of gezondheidscertificaten waarop de vereiste informatie was opgenomen. Voor de laadlocatie [adres 2] te [plaats 3] (gemeente [plaats 1] ) was ten eerste geen handelsdocument met gezondheidsverklaring opgemaakt;
- op twee handelsdocumenten kwam de opgegeven hoeveelheid dierlijke bijproducten niet overeen met de feitelijk bepaalde hoeveelheid, en
- zij heeft vaste onverwerkte mest niet rechtstreeks vervoerd naar het agrarisch bedrijf van bestemming. Vanaf twee laadlocaties bij twee verschillende bedrijven werd vaste mest geladen met bestemming België.



1.8
Bij besluit van 9 december 2019 (bestreden besluit III), waartegen het beroep van [naam 2] BV bij de rechtbank was gericht, heeft de minister het bezwaar van [naam 2] BV tegen het boetebesluit III ongegrond verklaard.




Uitspraak van de rechtbank

2 De rechtbank heeft de beroepen van [naam 1] BV en [naam 2] BV gegrond verklaard, de bestreden besluiten wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) vernietigd voor zover die zien op de hoogte van de boetes, de primaire besluiten herroepen voor zover die zien op de hoogte van de boetes, de totale boetebedragen gematigd en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde delen van de bestreden besluiten. De rechtbank heeft, voor zover voor de hoger beroepen van belang, het volgende overwogen, waarbij voor eiseres 1 [naam 2] BV, voor eiseres 2 [naam 1] BV en voor verweerder de minister moet worden gelezen:

“5. Eiseressen voeren aan dat er bij [naam 4] […] teveel mest aanwezig was voor een monstername en toen is besloten om een deel van die mest bij eiseres 2 op te slaan, omdat eiseres 1 toch de exporten zelf zou verzorgen. Door een opeenstapeling van pech zijn er omissies begaan. Er waren problemen met het dekzeil en er was sprake van een chaotische situatie door de val van [naam 6] senior waarna zijn zoon [naam 5] de werkzaamheden direct heeft overgenomen. Hij dacht dat het op deze wijze kon; normaal gesproken regelt zijn vader dat. Pieter [naam 6] junior zag geen enkel kwaad in zijn handelingen; alle mest zou verantwoord worden. Uit niets blijkt dat het de bedoeling was om mest te laten verdwijnen. Er was geen sprake van opzet. Het is niet evenredig om dezelfde boete op te leggen aan personen die welbewust de wet overtreden en personen die dit per ongeluk doen. Daarnaast wijst eiseres erop dat alle administratieve handelingen achteraf alsnog hebben plaatsgevonden. Alle omissies zijn hersteld en er is niets verhuld. Kennelijk was de transactie voor de toezichthouders ook transparant want eiseres kreeg direct toestemming om de mest alsnog naar België te brengen. Er is dus geen sprake van een onomkeerbare situatie en er is alsnog toestemming gegeven om het transport te voltooien.

Gelet op de bijzonder omstandigheden in dit geval had verweerder aanleiding moeten zien de boetes te matigen. Daar komt bij dat voor dezelfde reeks handelingen dezelfde partijen ook nog boetes van € 600,- en € 1.800,- opgelegd zijn. In totaal gaat het dus om € 9.900,- aan boetes en dat is niet redelijk en onevenredig, aldus eiseressen.

5.1.
Voor de rechtbank staat voldoende vast dat eiseressen de overtredingen hebben begaan. De constateringen in de rapporten van bevindingen zijn duidelijk en de rechtbank ziet geen reden voor twijfel aan de juistheid daarvan. Bovendien hebben eiseressen de constateringen van de toezichthouders en de vastgestelde overtredingen niet betwist.

5.2.
Verweerder was dus bevoegd om eiseressen voor die overtredingen boetes op te leggen. Eiseressen stellen evenwel dat gelet op de bijzondere omstandigheden van dit geval het totale bedrag aan boetes niet evenredig is. In dat kader is onder meer aangevoerd dat van opzet geen sprake is geweest, maar dat is in dit geval niet relevant nu opzet geen rol speelt bij bestuurlijke boetes en ook geen bestanddeel is van de overtreden voorschriften van de Meststoffenwet en de Wet dieren. Wel kunnen bijzondere omstandigheden ertoe leiden dat moet worden geconcludeerd dat een overtreding verminderd verwijtbaar is en om die reden een boete moet worden gematigd. De rechtbank ziet daarvoor in het aangevoerde en de omstandigheden van het geval evenwel geen aanleiding.

5.3.
Het gaat hier om overtredingen van voorschriften in de Wet dieren en de Meststoffenwet. De hier overtreden voorschriften in het kader van de Wet dieren zien op de bescherming van de volks- en diergezondheid en zijn erop gericht om ten behoeve van de bestrijding van zoönosen (bijvoorbeeld BSE) zicht te houden op de meststromen. De voorschriften in de Meststoffenwet zien op het beperken van milieurisico’s door overbemesting met stikstof en fosfaat te voorkomen. Daarom zijn er gebruiksnormen vastgesteld en voor de controle op de naleving daarvan gelden er verschillende voorschriften, waaronder het systeem van de vervoersbewijzen, het bemonsteren van de mest om de gehaltes stikstof en fosfaat te kunnen vaststellen, registratie van de vervoersgegevens en aanmelding van de export van mest. Alle door eiseressen overtreden voorschriften dienen dus ter bescherming van de volks- en diergezondheid en het milieu. Om de meststromen in de gehele keten van product tot eindgebruiker te kunnen volgen en te kunnen controleren op de naleving van de gebruiksnormen is een transparante, tijdige en correcte administratie van elke vervoersbeweging van mest van groot belang. Niet in geschil is dat eiseressen op dat punt meerdere overtredingen hebben begaan. Eiseressen wijzen op problemen met het dekzeil en de chaotische situatie na de val van [naam 6] senior, maar de rechtbank ziet niet in dat eiseressen daardoor minder verwijt treft. Het kan ook niet dienen als verklaring voor het totaal aan overtredingen dat is begaan. Niet valt in te zien dat de gestelde problemen met het dekzeil bij de derde vracht tot gevolg zou hebben gehad dat in de administratie van die vracht fouten zijn gemaakt en bovendien kunnen die gestelde problemen niet afdoen aan wat er bij alle andere vrachten is misgegaan. Ten aanzien van de val van [naam 6] senior is van belang dat al daarvoor, bij zijn eerste vracht naar België, overtredingen zijn geconstateerd. Daarnaast stelt verweerder in het verweerschrift terecht dat als zoon Pieter onvoldoende kennis had van de na te leven voorschriften hij een derde had kunnen inschakelen die wel over die kennis beschikte.

5.4.
Voorts roepen alle in de rapporten van bevindingen beschreven gebeurtenissen en afgelegde verklaringen ook de nodig vragen op en is onduidelijk gebleven wat er precies met (een deel van) de mest is gebeurd. Eiseressen hebben naar voren gebracht dat een deel van de mest was verplaatst van [naam 4] […] naar [naam 1] B.V. maar hier is verder geen administratie van opgemaakt. Overigens is dit pas in een latere herziene verklaring naar voren gebracht. Daar komt bij dat die gestelde verplaatsing van een deel van de mest voor de rechtbank geen verklaring biedt voor de andere overtredingen. Eiseressen hadden er immers ook voor kunnen kiezen om die verplaatsing en tijdelijke opslag van de mest bij [naam 1] B.V. op juiste wijze te registreren, daarvan vervoersdocumenten op te maken en te laten bemonsteren. Door dit niet te doen is een deel van de mest buiten beeld geweest voor verweerder. Eiseressen hebben ook aangevoerd dat naderhand de administratie van de mestvrachten weer volledig op orde is gemaakt, maar ook dat maakt de overtredingen niet minder verwijtbaar. Zoals hiervoor is overwogen is een tijdige correcte administratie van de meststromen van groot belang. Uit de voorschriften volgt ook dat de administratie voorafgaand of tijdens het vervoer op orde moet zijn; dit kan niet achteraf worden hersteld. Dat eiseres 1 van de toezichthouders uiteindelijk wel toestemming kreeg om de derde vracht alsnog naar België te brengen betekent bovendien niet dat alles rond die vracht transparant was, zoals eiseressen stellen. Uit de rapporten van bevindingen en zoals de toezichthouder ook ter zitting heeft verklaard, volgt immers dat die toestemming is verleend op basis van de eerste verklaring van de chauffeur die later door hem is ingetrokken en na verder onderzoek ook onjuist bleek te zijn.

5.5.
Gelet op het voorgaande kan niet worden geconcludeerd dat het gedrag van eiseressen verminderd verwijtbaar is. Ook overigens ziet de rechtbank in het geheel aan omstandigheden geen reden voor matiging. Eiseressen hebben in dit verband gewezen op de hoeveelheid aan boetes, maar naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van zodanige samenhang tussen de overtredingen dat dit tot matiging zou moeten leiden. Het gaat hier om overtredingen die op verschillende momenten zijn gepleegd en ook zien op verschillende vrachten (drie naar België en een onbekend aantal tussen [naam 4] […] en [naam 1] B.V. ). De rechtbank ziet ook niet in dat het geheel aan overtredingen een logisch gevolg is van één bepaalde handeling, zoals eiseressen lijken te stellen. Zo zijn alle geconstateerde overtredingen bij de vrachten naar België niet te beschouwen als een voortzetting of noodzakelijk vervolg van de gestelde tijdelijke opslag van mest bij [naam 1] B.V. Er gelden afzonderlijke verplichtingen voor het vervoer van mest en eiseressen hadden per vracht en per voorschrift anders kunnen besluiten te handelen dan zij hebben gedaan. Daarnaast gelden verplichtingen voor zowel de vervoerder als leverancier van mest en daarom heeft verweerder terecht aan zowel eiseres 1 als eiseres 2 afzonderlijk boetes opgelegd. Weliswaar zijn de daarbij betrokken natuurlijke personen familieleden, maar eiseres 1 en eiseres 2 zijn van elkaar te onderscheiden ondernemingen met elk een eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van na te leven voorschriften. Bovendien gaat het hier om overtredingen van afzonderlijke voorschriften van de Wet dieren, Verordening 142/2011 en Verordening 1069/2009 en de Meststoffenwet die verschillende doelen dienen.

6. De rechtbank concludeert dat verweerder dus terecht de boetes heeft opgelegd.”



Beoordeling van het geschil in hoger beroep


Feiten en omstandigheden



3.1
Het College stelt allereerst, mede aan de hand van het verhandelde op de zitting, het volgende vast.



3.2

[naam 1] BV en [naam 2] BV zijn gevestigd op de locatie [adres 2] te [plaats 3] . [naam 4] is gevestigd op de locatie [adres 1] te [plaats 2] .



3.3
Vóór 11 september 2018 zijn twee vrachten vaste mest afkomstig van [naam 4] door [naam 7] naar [naam 1] BV op de locatie [adres 2] te [plaats 3] gebracht. De vrachten mest zijn aldaar achter de stallen opgeslagen.



3.4
Op 11 september 2018 had [naam 2] BV volgens een melding bij de RVO drie exporten van vaste mest gepland staan met elk een geschat gewicht van 36.000 kg. De leverancier betrof [naam 4] , met als laadlocatie [adres 1] te [plaats 2] . De drie vrachten vaste mest zouden worden geëxporteerd naar Ravels in België.
De eerste vracht vaste mest (met VDM nummer [… 5] ) afkomstig van [naam 4] bestemd voor vervoer naar België is op 18 september 2018 geladen door [naam 7] en diezelfde dag vervoerd door [naam 6] senior namens [naam 2] BV.
De tweede vracht vaste mest (met VDM nummer [… 3] ) afkomstig van [naam 4] bestemd voor vervoer naar België is ook op 18 september 2018 geladen door [naam 7] en vervoerd door [naam 6] junior namens [naam 2] BV. Deze vracht is volledig gelost in België.
Tussen de tweede en derde vracht in heeft [naam 6] junior namens [naam 2] BV de mest die afkomstig was van [naam 4] en die bij [naam 1] BV aan de [adres 2] was opgeslagen in een voertuig geladen. Na het laden is [naam 6] junior naar [naam 4] aan de [adres 1] gereden, alwaar het voertuig is bijgeladen door [naam 7] met twee loader scheppen. De derde vracht (met VDM nummer [… 4] ) is vervolgens op 18 september 2018 door [naam 6] junior namens [naam 2] BV vervoerd naar Ravels in België. Na vertrek van het voertuig van de locatie van [naam 4] voor de derde vracht is door toezichthouders van de NVWA (onder wie [naam 3] ) een controle uitgevoerd, waarbij is geconstateerd dat het voertuig niet was gevuld met maar twee loader scheppen, maar met een halve vracht mest. De toezichthouders hebben daarop besloten nader onderzoek te verrichten naar alle vrachten van die dag. Van hun bevindingen hebben zij in totaal drie rapporten van bevindingen opgemaakt op 27 november 2018.


3.5
De bevindingen van de toezichthouders hebben geleid tot de drie boetebesluiten. De boetebesluiten zien op de onjuiste vermelding van hoeveelheden vervoerde mest en de gang van zaken rond het vervoer en de opslag van mest van [naam 4] bij [naam 1] BV en de afvoer van deze mest met de derde vracht.


Is sprake van overtredingen en zijn [naam 1] BV en [naam 2] BV als overtreders aan te merken?


4 [naam 1] BV en [naam 2] BV betwisten niet dat sprake is van overtredingen van bepalingen uit de Msw, de Wet dieren en aanverwante regelgeving. [naam 1] BV en [naam 2] BV betwisten evenmin dat zij als overtreders zijn aan te merken. Het College ziet geen aanleiding voor een ander oordeel. De minister was op zichzelf dan ook bevoegd aan hen bestuurlijke boetes op te leggen.


Valt [naam 1] BV en [naam 2] BV een verwijt te maken van het begaan van de overtredingen?




5.1

[naam 1] BV en [naam 2] BV betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hen geen verwijt kan worden gemaakt van het begaan van de overtredingen. Al de omissies hebben per ongeluk plaatsgevonden en het was niet de bedoeling van [naam 1] BV en [naam 2] BV de regels te ontduiken.


5.2.1
Het College overweegt als volgt.



5.2.2
In artikel 5:41 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat de bevoegdheid om boetes op te leggen niet mag worden uitgeoefend als de overtreder geen verwijt treft. Het bestuursorgaan hoeft de verwijtbaarheid niet te bewijzen, maar mag deze veronderstellen als het daderschap vaststaat, mits tegenbewijs mogelijk is. Het is aan de beboete (rechts-)persoon feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen waaraan het rechtsgevolg kan worden verbonden dat verwijtbaarheid (afwezigheid van alle schuld) ontbreekt. Het is in dit geval dan ook aan [naam 1] BV en [naam 2] BV om aannemelijk te maken dat zij al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was hebben gedaan om de vastgestelde overtredingen te voorkomen.



5.2.3
Met de rechtbank concludeert het College dat [naam 1] BV en [naam 2] BV niet aannemelijk hebben gemaakt dat hen geen verwijt treft. Zij hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was hebben gedaan om de vastgestelde overtredingen te voorkomen. Het College onderschrijft het in de rechtsoverwegingen 5.3 en 5.4 van de aangevallen uitspraak gegeven oordeel van de rechtbank hierover en maakt de overwegingen van de rechtbank tot de zijne.




5.3
De hogerberoepsgrond slaagt niet.


Is er aanleiding de boetebedragen te matigen?




6.1

[naam 1] BV en [naam 2] BV betogen verder dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met alle bijzondere omstandigheden die zich op 18 september 2018 hebben voorgedaan. Die omstandigheden nopen volgens hen tot matiging van de boetebedragen. De gebeurtenissen op 18 september 2018 hebben geleid tot een reeks omissies. Het apart beboeten van elke omissie is niet evenredig. De overtredingen vormen een doorlopende keten van oorzaak en gevolg. Daar komt volgens hen bij dat zij uiteindelijk wel degelijk inzichtelijk hebben gemaakt waar alle mest is gebleven. Ook is volgens hen van belang dat de administratie inmiddels klopt.


6.2.1
Het College overweegt als volgt.



6.2.2
Bij de boetes die zijn opgelegd vanwege overtredingen van bepalingen van de Wet dieren, wordt op grond van artikel 2.3, aanhef en onder a, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren (Besluit handhaving) een boete gehalveerd indien de risico’s of de gevolgen van een overtreding voor de volksgezondheid, diergezondheid, dierenwelzijn of het milieu gering zijn of ontbreken. Zoals volgt uit de Nota van Toelichting bij het Besluit handhaving (Staatsblad 2012, 603, pagina’s 11 en 12) is bij de indeling van overtredingen in boetecategorieën al rekening gehouden met de ernst van de gevolgen van een overtreding en biedt artikel 2.3 de mogelijkheid om de feitelijke gevolgen of risico’s van een overtreding in het concrete geval in het boetebedrag tot uiting te laten komen.
Dit geldt evenzeer voor de boetes die zijn opgelegd wegens overtredingen van bepalingen van de Msw, waarvan boetecategorieën in bijlage M bij de Uitvoeringsregeling Msw zijn opgenomen.



6.2.3
Uit artikel 5:46, tweede lid, van de Awb volgt daarnaast dat, indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, zoals hier ten aanzien van alle opgelegde boetes het geval is, het bestuursorgaan niettemin een lagere bestuurlijke boete oplegt indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.



6.2.4
Met de rechtbank concludeert het College dat geen aanleiding bestaat de boetebedragen te matigen. De geconstateerde overtredingen hebben geen geringe risico’s of gevolgen voor de dier- en volksgezondheid of het milieu en [naam 1] BV en [naam 2] BV hebben niet aannemelijk gemaakt dat de boetebedragen wegens bijzondere omstandigheden te hoog zijn. Het College onderschrijft het in de rechtsoverwegingen 5.2-5.5 van de aangevallen uitspraak gegeven oordeel van de rechtbank hierover en maakt de overwegingen van de rechtbank tot de zijne.




6.3
Ook deze hogerberoepsgrond slaagt niet.

Redelijke termijn (artikel 6 EVRM)




7.1
Op de zitting hebben [naam 1] BV en [naam 2] BV verzocht om aanvullende compensatie voor immateriële schade wegens een verdere overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. [naam 1] BV en [naam 2] BV hebben het eerdere oordeel van de rechtbank hierover niet bestreden.



7.2
Het College vat de verzoeken van [naam 1] BV en [naam 2] BV, gelet op wat hij hiervoor onder 4 tot en met 6 heeft overwogen, op als verzoeken tot compensatie in de vorm van een verdere matiging van de totale boetebedragen. Het College heeft de Staat in verband met de verzoeken aangemerkt als partij.



7.3
In bestraffende zaken als de onderhavige geldt het uitgangspunt dat de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties (bezwaar, beroep en hoger beroep) in beginsel is overschreden als die procedure in haar geheel langer duurt dan vier jaar. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de bestuurlijke fase in beginsel een jaar mag duren, de beroepsfase ook een jaar en de hoger beroepsfase twee jaar. De redelijke termijn begint op het moment waarop een handeling wordt verricht waaraan de betrokkene in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een bestuurlijke boete wordt opgelegd. De in aanmerking te nemen termijn eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet in de procedure over het geschil dat de betrokkene en het bestuursorgaan verdeeld houdt.



7.4
Het College zal hieronder per zaak beoordelen in hoeverre er aanleiding is het totale boetebedrag verder te matigen.


21/983



7.5
In deze zaak is de redelijke termijn aangevangen met het boetebesluit I van 14 december 2018. Op het moment van deze uitspraak is de redelijke termijn met één jaar en bijna zes maanden overschreden. Deze overschrijding is volledig toe te rekenen aan de rechterlijke fase. De rechtbank heeft het totale boetebedrag met 10% gematigd tot een bedrag van € 540,-. Het College ziet aanleiding het totale boetebedrag verder te matigen met 5% tot een bedrag van € 510,-.


21/1036



7.6
In deze zaak is de redelijke termijn aangevangen met het boetebesluit II van 21 december 2018. Op het moment van deze uitspraak is de redelijke termijn met één jaar en bijna zes maanden overschreden. Deze overschrijding is volledig toe te rekenen aan de rechterlijke fase. De rechtbank heeft het totale boetebedrag met 10% gematigd tot een bedrag van € 1.620,-. Het College ziet aanleiding het totale boetebedrag verder te matigen met 5% tot een bedrag van € 1.530,-.


21/1011



7.7
In deze zaak is de redelijke termijn aangevangen met het voornemen tot boeteoplegging van 15 februari 2019. Op het moment van deze uitspraak is de redelijke termijn met één jaar en bijna vier maanden overschreden. Deze overschrijding is volledig toe te rekenen aan de rechterlijke fase. De rechtbank heeft het totale boetebedrag met 5% gematigd tot een bedrag van € 7.125,-. Het College ziet aanleiding het totale boetebedrag verder te matigen met 10% tot een bedrag van € 6.375,-.


Slotsom


8 Het College zal de aangevallen uitspraak in verband met de verdere overschrijding van de redelijke termijn vernietigen voor zover het de hoogte van de totale boetebedragen betreft. Het College zal de totale boetebedragen in de zaken 21/983, 21/1036 en 21/1011 vaststellen op achtereenvolgens € 510,-, € 1.530,- en € 6.375,- en bepalen dat zijn uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de bestreden besluiten. Het College zal de aangevallen uitspraak voor het overige bevestigen.


Proceskosten




9.1
Het College zal, omdat de overschrijding van de redelijke termijn volledig is toe te rekenen aan de rechterlijke fase, uitsluitend de Staat veroordelen in de door [naam 1] BV en [naam 2] BV in hoger beroep gemaakte proceskosten die zijn gemoeid met hun verzoeken om aanvullende compensatie voor immateriële schade wegens een verdere overschrijding van de redelijke termijn. Het College merkt de drie hoger beroepszaken in dit kader aan als samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3, eerste en tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
Het College stelt het bedrag op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 437,50 (1 punt voor het ter zitting indienen van de verzoeken om compensatie voor immateriële schade met een waarde per punt van
€ 875,00 en een wegingsfactor 0,5).



9.2
De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.


Griffierecht


10 Omdat de minister geen verwijt treft van de gedeeltelijke vernietiging van de aangevallen uitspraak, ziet het College aanleiding om met toepassing van artikel 8:114, eerste lid, van de Awb, te bepalen dat het in hoger beroep door [naam 1] BV en [naam 2] BV betaalde griffierecht door de griffier aan hen wordt terugbetaald.






















Beslissing

Het College:

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover de hoogte van de boetebedragen is vastgesteld;
- stelt het totale boetebedrag in 21/983 vast op € 510,-;
- stelt het totale boetebedrag in 21/1036 vast op € 1.530,-;
- stelt het totale boetebedrag in 21/1011 vast op € 6.375,-;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de bestreden besluiten;
- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige, voor zover aangevochten;
- veroordeelt de Staat in de door [naam 1] BV en [naam 2] BV in hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 437,50;
- bepaalt dat de griffier van het College aan [naam 1] BV het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 541,- voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt;
- bepaalt dat de griffier van het College aan [naam 2] BV het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van in totaal € 1.082,- (2 x € 541,-) voor de behandeling van de hoger beroepen terugbetaalt.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Verbeek, mr. W.J.A.M. van Brussel en mr. W.A.J. van Lierop, in aanwezigheid van mr. W.I.K. Baart, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2024.







w.g. J.L. Verbeek w.g. W.I.K. Baart
Link naar deze uitspraak