Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
(0548) 54 00 54 (G.J. Steunenberg)
ECLI:NL:RBNNE:2022:2133 
 
Datum uitspraak:16-06-2022
Datum gepubliceerd:23-06-2022
Instantie:Rechtbank Noord-Nederland
Zaaknummers:LEE 19-3649 19-3650 19-3656 19-3670 19-3671 19-3729 19-3731 en 21-3563
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Geclusterde zaken omgevingsvergunning en handhaving. Geen reden om eisers niet als belanghebbenden aan te merken. Legaliseren van sleufsilo's. Aanvraag om omgevingsvergunning en belanghebbendheid daarbij. Eigendomsverhoudingen. Uitleg onderliggend bestemmingsplan en voorschriften van de omgevingsvergunning. Toepasselijke norm voor wat betreft de ruimtelijke ordening en het milieu onvoldoende in kaart gebracht. Grens van de inrichting. Bewijsaanbod en het fair play-beginsel. Onzorgvuldige besluitvorming.
Trefwoorden:activiteitenbesluit
agrarisch
bestemmingsplan
bestuursdwang
buitengebied
geluidhinder
gewassen
omgevingsvergunning
perceel
stallen
wabo
waterschap
 
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

Zaaknummers: LEE 19/3649, 19/3650, 19/3656, 19/3670, 19/3671, 19/3729, 19/3731 en 21/3563

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juni 2022 in de zaken tussen


1. [eiseres].gevestigd te [plaats], eiseres sub 1,
(gemachtigde: mr. A.J. Spoelstra);

2. [eiseres]te [plaats], eiseres sub 2,
(gemachtigde: [naam]);

3. [eiseres]te [plaats], eiseres sub 3,
(gemachtigde: mr. J. Zwiers);

4. [eisers]te [plaats], eisers sub 4,
(gemachtigde: mr. A.T. Onbelet),

en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waadhoeke, verweerder,
(gemachtigde: mr. E.F. van der Goot).


Procesverloop


Inzake LEE 19/3649, 19/3656, 19/3670 en 19/3729

Bij besluit van 28 december 2016 (het primaire besluit I) heeft verweerder aan eiseres sub 1 een omgevingsvergunning ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) verleend ten behoeve van het bouwen van sleufsilo’s op het perceel [adres] te [plaats] (hierna: het perceel) in het kader van een legaliseringstraject.

Bij besluit van 23 februari 2017 (het primaire besluit II) heeft verweerder het verzoek om handhaving van eiseres sub 3 met betrekking tot het herplanten van zeven iepen op de plaats van de gekapte zeven schietwilgen op voormeld perceel afgewezen.

Bij besluit van 8 juni 2018 (het primaire besluit III) heeft verweerder het verzoek om handhaving van eiseres sub 3 met betrekking tot de uitbreiding en de verandering van de inrichting op voormeld perceel afgewezen.

Bij besluit van 28 augustus 2018 (het primaire besluit IV) heeft verweerder het verzoek om handhaving van eiseres sub 3 voor wat betreft het gebruik van de gronden ten oosten van voormeld perceel afgewezen.

Bij (afzonderlijk) besluit van 10 september 2019 (het bestreden besluit I) heeft verweerder de bezwaren van eiseres sub 3 deels gegrond verklaard, de primaire besluiten I en IV herroepen en de primaire besluiten II en III onder een aanvullende motivering gehandhaafd. Verder heeft verweerder bij besluit van 10 september 2019 een last onder dwangsom aan eiseres sub 1 opgelegd wegens het gebruik van een stuk grond in strijd met het bestemmingsplan “Buitengebied 2013”. Daarnaast heeft verweerder bij besluit van 12 september 2019 aan eiseres sub 1 een omgevingsvergunning ingevolge de Wabo verleend voor het bouwen van sleufsilo’s op voormeld perceel in het kader van een legaliseringstraject.

Tegen het bestreden besluit I heeft eiseres sub 1 beroep ingesteld bij de rechtbank. Dit beroep is geregistreerd onder het procedurenummer LEE 19/3649.
Tegen het bestreden besluit I heeft eiseres sub 2 beroep ingesteld bij de rechtbank. Dit beroep is geregistreerd onder het procedurenummer LEE 19/3656.
Tegen het bestreden besluit I heeft eiseres sub 3 beroep ingesteld bij de rechtbank. Dit beroep is geregistreerd onder het procedurenummer LEE 19/3670.
Tegen het bestreden besluit I hebben eisers sub 4 beroep ingesteld bij de rechtbank. Dit beroep is geregistreerd onder het procedurenummer LEE 19/3729.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Inzake LEE 19/3650, 19/3671 en 19/3731

Bij (afzonderlijk) besluit van 26 oktober 2016 (het primaire besluit V) heeft verweerder het verzoek om handhaving van eisers sub 4 met betrekking tot het aanwezig zijn en het gebruiken van zeecontainers voor opslag ten behoeve van het loonbedrijf op voormeld perceel afgewezen.

Bij (afzonderlijk) besluit van 26 oktober 2016 (het primaire besluit VI) heeft verweerder het verzoek om handhaving van eisers sub 4 met betrekking tot het gebruik van de schapenstal ten behoeve van het loonbedrijf op voormeld perceel afgewezen.

Bij besluit van 27 oktober 2016 (het primaire besluit VII) heeft verweerder het verzoek om handhaving van eisers sub 4 met betrekking tot de uitbreiding en verandering van de inrichting op voormeld perceel te Tzummarum afgewezen.

Bij primair besluit I van 28 december 2016 heeft verweerder aan eiseres sub 1 een omgevingsvergunning ingevolge de Wabo verleend ten behoeve van het bouwen van sleufsilo’s op voormeld perceel in het kader van een legaliseringstraject.

Bij (afzonderlijk) besluit van 10 september 2019 (het bestreden besluit II) heeft verweerder de bezwaren van eisers sub 4 deels gegrond verklaard, het primaire besluit I herroepen en de primaire besluiten V, VI en VII onder een aanvullende motivering gehandhaafd. Verder heeft verweerder bij besluit van 12 september 2019 aan eiseres sub 1 een omgevingsvergunning ingevolge de Wabo verleend voor het bouwen van sleufsilo’s op voormeld perceel in het kader van een legaliseringstraject.

Tegen het bestreden besluit II heeft eiseres sub 1 beroep ingesteld bij de rechtbank. Dit beroep is geregistreerd onder het procedurenummer LEE 19/3650.
Tegen het bestreden besluit II heeft eiseres sub 3 beroep ingesteld bij de rechtbank. Dit beroep is geregistreerd onder het procedurenummer LEE 19/3671.
Tegen het bestreden besluit II heeft eiser sub 4 beroep ingesteld bij de rechtbank. Dit beroep is geregistreerd onder het procedurenummer LEE 19/3731.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Inzake LEE 21/3563

Bij besluit van 24 september 2021 (het bestreden besluit III) heeft verweerder het verzoek van eisers sub 4 om handhavend op te treden jegens het bedrijf van eiseres sub 1 afgewezen.

Tegen dat besluit heeft eiseres bij brief van 4 november 2021 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. Daarbij hebben eisers sub 4 verweerder verzocht om het bezwaarschrift ingevolge artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) door te sturen naar de rechtbank om als rechtstreeks beroep te worden behandeld.

Bij brief van 9 november 2021 heeft verweerder ingestemd met dit verzoek en het bezwaarschrift als beroepschrift doorgezonden aan de rechtbank.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De zaken zijn gevoegd behandeld op de zitting van 14 februari 2022.
Eiseres sub 1 heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Eiseres sub 2 is met kennisgeving niet verschenen.
Eiseres sub 3 is in persoon verschenen, vergezeld door haar echtgenoot en bijgestaan door haar gemachtigde.
Eisers sub 4 zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, O. van der Eems (beleidsmedewerker VTH) en R.J. Koers (toezichthouder industrie en afval bij de FUMO).



Overwegingen



Feiten en omstandigheden
1. Bij haar oordeelsvorming betrekt de rechtbank de navolgende feiten en omstandigheden.


Inzake LEE 19/3649, 19/3650, 19/3656, 19/3670, 19/3671, 19/3729 en 19/3731


1.1.
Eiseres sub 1 exploiteert een loon- en kraanverhuurbedrijf annex schapenhouderij op voormeld perceel te [plaats].



1.2.
Eiseres sub 2 is eigenaar van de strook grond waarop een van de sleufsilo’s van eiseres sub 1 is geplaatst.
Eiseres sub 3 is eigenaar van en woonachtig op het nabijgelegen perceel [adres] te [plaats].
Eisers sub 4 zijn eigenaar van en woonachtig op het nabijgelegen perceel [adres] te [plaats].



1.3.
Eisers sub 4 hebben bij brief van 2 november 2011, ontvangen door verweerder op
3 januari 2012, aan verweerder verzocht om handhavend op te treden in verband met de uitbreiding en de verandering van de inrichting op voormeld perceel te [plaats].



1.4.
Eiseres sub 3 heeft bij brief van 22 februari 2012 een verzoek om handhavend op te treden in verband met de uitbreiding en verandering van de inrichting op voormeld perceel bij verweerder ingediend.



1.5.
Verweerder heeft bij besluit van 15 juli 2013 een omgevingsvergunning ingevolge de Wabo aan eiseres sub 1 verleend voor het kappen van 7 schietwilgen en het herplanten van 7 iepen op voormeld perceel te [plaats].



1.6.
Verweerder heeft bij besluit van 28 april 2015 aan eiseres sub 1 een omgevings-vergunning ingevolge de Wabo verleend voor het uitbreiden en veranderen van de inrichting op voormeld perceel te [plaats], in die zin dat er maximaal 640 schapen mogen worden gehouden.



1.7.
Eiseres sub 3 heeft verweerder bij brief van 8 april 2016 verzocht om handhavend op te treden, in die zin dat de 7 iepen worden herplant op dezelfde plek, waarop reeds 7 schiet-wilgen zijn gekapt op voormeld perceel.



1.8.
Eisers sub 4 hebben bij brief van 8 juni 2016 aan verweerder verzocht om hand-havend op te treden in verband met het aanwezig zijn en het gebruiken van zeecontainers voor opslag op voormeld perceel te [plaats].
Verder hebben eisers sub 4 bij brief van 8 juni 2016 aan verweerder verzocht om hand-havend op te treden in verband met het gebruik van de schapenstal als werkplaats en stallingsruimte voor het materieel van de inrichting op voormeld perceel te [plaats].



1.9.
Verweerder heeft bij brief van 22 juli 2016 aan eiseres sub 1 kenbaar gemaakt voornemens te zijn om handhavend op te treden in verband met de herplantplicht.
Verder heeft verweerder met deze brief eiseres sub 1 in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen.



1.10.
Eiseres sub 1 heeft bij brief van 26 augustus 2016 een zienswijze bij verweerder ingediend.



1.11.
Eiseres sub 1 heeft op 26 augustus 2016 een aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen van sleufsilo’s op voormeld perceel te [plaats] in het kader van een legaliseringstraject bij verweerder ingediend.



1.12.
Verweerder heeft bij brief van 23 september 2016 aan eisers sub 4 kenbaar gemaakt voornemens te zijn om het verzoek om handhavend op te treden in verband met de uitbreiding en verandering van de inrichting op voormeld perceel te [plaats] af te wijzen.
Daarbij heeft verweerder met deze brief eisers sub 4 in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen.
Verder heeft verweerder bij brief van 23 september 2016 aan eisers sub 4 kenbaar gemaakt voornemens te zijn om het verzoek om handhavend op te treden in verband met het gebruik van de schapenstal als werkplaats en stallingsruimte voor het materieel van de inrichting op voormeld perceel te [plaats] af te wijzen.
Daarbij heeft verweerder met deze brief eisers sub 4 in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen.



1.13.
Bij primair besluit V van 26 oktober 2016 heeft verweerder het verzoek om handhaving van eisers sub 4 met betrekking tot het aanwezig zijn en het gebruiken van zeecontainers voor opslag ten behoeve van het loonbedrijf op voormeld perceel afgewezen.



1.14.
Bij primair besluit VI van 26 oktober 2016 heeft verweerder het verzoek om handhaving van eisers sub 4 in verband met het gebruik van de schapenstal als werkplaats en stallingsruimte voor het materieel van de inrichting op voormeld perceel te [plaats] afgewezen.



1.15.
Bij primair besluit VII van 27 oktober 2016 heeft verweerder het verzoek om handhaving in verband met de uitbreiding en verandering van de inrichting op voormeld perceel te [plaats] afgewezen.



1.16.
Tegen het primaire besluit V hebben eisers sub 4 bij brief van 6 december 2016 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. De gronden van bezwaar zijn bij brief van
6 februari 2017 aangevuld.
Tegen het primaire besluit VI hebben eisers sub 4 bij brief van 6 december 2016 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. De gronden van bezwaar zijn bij brief van 7 april 2017 aangevuld.
Tegen het primaire besluit VII hebben eisers sub 4 bij brief van 6 december 2016 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. De gronden van bezwaar zijn bij brief van
6 februari 2017 en bij brief van 7 april 2017 aangevuld.



1.17.
Bij primair besluit I van 28 december 2016 heeft verweerder aan eiseres sub 1 een omgevingsvergunning ingevolge de Wabo verleend ten behoeve van het bouwen van sleufsilo’s op voormeld perceel te [plaats] in het kader van een legaliseringstraject.



1.18.
Tegen het primaire besluit I heeft eiseres sub 3 bij brief van 7 februari 2017 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. De gronden van bezwaar zijn bij brief van 21 juni 2018 aangevuld.
Tegen het primaire besluit I hebben eisers sub 4 bij brief van 7 februari 2017 een bezwaar-schrift bij verweerder ingediend.



1.19.
Bij primair besluit II van 23 februari 2017 heeft verweerder het verzoek van eiseres sub 3 om handhavend op te treden afgewezen.



1.20.
Tegen het primaire besluit II heeft eiseres sub 3 bij brief van 4 april 2017 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.



1.21.
Bij primair besluit III van 8 juni 2018 heeft verweerder het verzoek om handhaving van eiseres sub 3 met betrekking tot de uitbreiding en de verandering van de inrichting op voormeld perceel afgewezen.



1.22.
Tegen het primaire besluit III heeft eiseres sub 3 bij brief van 20 juli 2018 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. De gronden van bezwaar zijn bij brief van 31 augustus 2018 ingediend.



1.23.
Eiseres sub 3 heeft verweerder bij brief van 8 augustus 2018 verzocht om handhavend op te treden inzake het bosperceel, gelegen ten oosten van voormeld perceel te [plaats].



1.24.
Verweerder heeft eiseres sub 3 bij brief van 9 augustus 2018 kenbaar gemaakt voornemens te zijn om het verzoek om handhavend op te treden af te wijzen.
Verder heeft verweerder met deze brief eiseres sub 3 in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen.




1.25.
Bij primair besluit IV van 28 augustus 2018 heeft verweerder het verzoek om hand-having van eiseres sub 3 voor wat betreft het gebruik van de gronden ten oosten van voor-meld perceel afgewezen.



1.26.
Tegen het primaire besluit IV heeft eiseres sub 3 bij brief van 31 augustus 2018 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.



1.27.
Eiseres sub 3 en eisers sub 4 hebben de bezwaarschriften mondeling toegelicht op de hoorzitting van 16 oktober 2018 van de adviescommissie voor de behandeling van bezwaar-schriften van de gemeente Waadhoeke (hierna: de commissie). Een verslag van deze hoorzitting bevindt zich onder de gedingstukken.



1.28.
De commissie heeft verweerder bij brief van 7 maart 2019 geadviseerd om de bezwaren van eiseres sub 3 en de bezwaren van eisers sub 4 ongegrond te verklaren.



1.29.
Bij (afzonderlijk) besluit van 10 september 2019 (het bestreden besluit I) heeft verweerder de bezwaren van eiseres sub 3 deels gegrond verklaard, de primaire besluiten I en IV herroepen en de primaire besluiten II en III onder een aanvullende motivering gehandhaafd. Verder heeft verweerder bij besluit van 10 september 2019 een last onder dwangsom aan eiseres sub 1 opgelegd wegens het gebruik van een stuk grond in strijd met het bestemmingsplan “Buitengebied 2013”. Daarnaast heeft verweerder bij besluit van 12 september 2019 aan eiseres sub 1 een omgevingsvergunning ingevolge de Wabo verleend voor het bouwen van sleufsilo’s op voormeld perceel in het kader van een legaliseringstraject.



1.30.
Bij (afzonderlijk) besluit van 10 september 2019 (het bestreden besluit II) heeft verweerder de bezwaren van eisers sub 4 deels gegrond verklaard, het primaire besluit I herroepen en de primaire besluiten V, VI en VII onder een aanvullende motivering gehandhaafd. Verder heeft verweerder bij besluit van 12 september 2019 aan eiseres sub 1 een omgevingsvergunning ingevolge de Wabo verleend voor het bouwen van sleufsilo’s op voormeld perceel in het kader van een legaliseringstraject.


Inzake LEE 21/3563



1.31.
Eisers sub 4 hebben bij brief van 23 maart 2021 aan verweerder verzocht om handhavend op te treden jegens het bedrijf van eiseres sub 1 op voormeld perceel te [plaats].



1.32.
In het kader van voormeld verzoek zijn er op 11 mei 2021, 4 juni 2021, 18 juni 2021, 12 juli 2021, 20 juli 2021, 27 juli 2021 en 28 juli 2021 controles uitgevoerd door toezicht-houders op voormeld perceel te [plaats]. De bevindingen van de toezichthouders zijn neergelegd in controlerapportages.



1.33.
Naar aanleiding van de bevindingen van de toezichthouders tijdens voormelde controlebezoeken heeft verweerder bij brief van 29 juli 2021 aan eisers sub 4 kenbaar gemaakt voornemens te zijn om het verzoek om handhavend op te treden af te wijzen.
Verder heeft verweerder eisers sub 4 met deze brief in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen.



1.34.
Eisers sub 4 hebben bij brief van 25 augustus 2021 een zienswijze bij verweerder ingediend.


1.35.
Op 9 september 2021 en op 13 september 2021 hebben toezichthouders aanvullende controles uitgevoerd op voormeld perceel te [plaats]. De bevindingen van de toezicht-houders zijn neergelegd in controlerapportages.



1.36.
Bij het bestreden besluit III van 24 september 2021 heeft verweerder het verzoek van eisers sub 4 om handhavend op te treden jegens het bedrijf van eiseres sub 1 afgewezen.




Toepasselijke regelgeving
2. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: het bouwen van een bouwwerk.
Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het: gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan.
Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, ten tweede, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: het veranderen of veranderen van de werking van een inrichting.
Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo, voor zover thans van belang, wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning geweigerd indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan.
Ingevolge artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo wordt in gevallen als bedoeld in het eerste
lid, onder c, de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1. eerste lid, onder c, en wordt de vergunning slechts
geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.
Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo kan, indien de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevings-vergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
1. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking;
2. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen; of,
3. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.


2.1.
De in artikel 2.12, eerste lid, onder a en ten tweede, van de Wabo bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Besluit omgevingsrecht (Bor).
Ingevolge artikel 2.7 van het Bor worden als categorieën van gevallen als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, ten tweede, aangewezen de categorieën gevallen in artikel 4 van bijlage II.
Ingevolge artikel 4, derde lid, van bijlage II van het Bor komt voor verlening van een omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a en ten tweede van de Wabo wordt afgeweken van het bestemmingsplan, in aanmerking: een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
a. niet hoger dan 10 m, en
b. de oppervlakte niet meer dan 50 m2 bedraagt.



2.2.
Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang.
Ingevolge artikel 125, tweede lid, van de Gemeentewet wordt de bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang uitgeoefend door het college, indien de last dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.



2.3.
Ingevolge artikel 5:1, eerste lid, van de Awb wordt in deze wet wordt verstaan onder overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.
Ingevolge artikel 5:1, tweede lid, van de Awb wordt onder overtreder wordt verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt.
Ingevolge artikel 5:21 van de Awb wordt onder last onder bestuursdwang verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:
a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en
b. de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.
Ingevolge artikel 5:32, eerste lid, van de Awb is een bestuursorgaan bevoegd om een last onder dwangsom op te leggen in plaats van een last onder bestuursdwang.
Ingevolge artikel 5:32a, eerste lid, van de Awb omschrijft de last onder dwangsom de te nemen herstelmaatregelen.
Ingevolge artikel 5:32b, eerste lid, van de Awb stelt het bestuursorgaan de dwangsom vast hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, dan wel per overtreding van de last.
Ingevolge artikel 5:37, eerste lid, van de Awb beslist het bestuursorgaan bij beschikking omtrent de invordering van een dwangsom, alvorens aan te manen tot betaling van de dwangsom.
Ingevolge artikel 5:39, eerste lid, van de Awb heeft het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de last onder dwangsom mede betrekking op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.



2.4.
Ingevolge het bestemmingsplan “Buitengebied 2013” zijn aan het perceel de bestemming “Gemengd-Loon en kraanverhuurbedrijf en schapenhouderij” en de dubbelbestemming “Waarde-Reliëf, kwelderwal, terpen en kruinige percelen” toegekend, alsmede de gebiedsaanduiding “vrijwaringszone – radarverstoringsgebied”.
De meest oostelijk gelegen sleufsilo is deels (over een breedte van ongeveer 3.5 meter) geprojecteerd op gronden met de bestemming “Bos”.
De bestemming “Bos” laat niet toe dat bouwwerken worden gebouwd voor agrarische doeleinden, zoals de opslag van mest. Het project is om deze reden in strijd met de planregels van voormeld bestemmingsplan.




Overwegingen


Inzake LEE 19/3649 en LEE 19/3650 (verzoeken om handhaving)


3.1.
Eiseres sub 1 betoogt uitsluitend dat verweerder eiseres sub 3 en eisers sub 4 ten onrechte ontvankelijk in bezwaar heeft geacht met betrekking tot de door hen ingediende verzoeken om handhaving. In dit verband wijst eiseres sub 1 erop dat eiseres sub 3 en eisers sub 4 niet kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Daarbij acht eiseres sub 1 van belang dat er in dit geval slechts sprake is van een beperkt belang vanwege het ontbreken van gevolgen van enige betekenis (vgl. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS), 23 augustus 2017, ECLI:NL: RVS:2017:2271). In die casus gaat het om situaties waarin de gevolgen van de activiteit wel aanwezig zijn, maar dat deze gevolgen dermate kleinschalig zijn waardoor niet meer wordt voldaan aan de criteria om te kunnen worden aangemerkt als belanghebbende. Dat is in onderhavige zaken voor wat betreft de bezwaren van eiseres sub 3 en eisers sub 4 eveneens het geval in de visie van eiseres sub 1.



3.3.
Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.



3.4.
In de uitspraak van 23 augustus 2017, kenbaar uit ECLI:NL:RVS:2017:2271, heeft de AbRvS ten aanzien van die belanghebbendheid uitgebreid gemotiveerd dat niet een ieder die een effect van ruimtelijke activiteit verneemt in beginsel ook als belanghebbende dient te worden aangemerkt. Daartoe is geen grond indien er geen hinder van enige betekenis wordt ondervonden.



3.5.
Uit de gedingstukken en het onderbouwde verweerschrift van verweerder leidt de rechtbank af dat eiseres sub 3 en eisers sub 4 vanuit hun woningen en de daarbij behorende tuinen in elk geval enig zicht hebben op het gehele bedrijfsterrein van eiseres sub 1. Verder kan naar het oordeel van de rechtbank niet op voorhand geconcludeerd worden dat de bestreden besluiten I en II in verband met de ruimtelijke effecten van het bedrijf en de daarbij behorende bebouwing alsmede het gebruik daarvan en vanwege de milieueffecten vanwege de gehele inrichting geen enkele invloed hebben op de directe woon- en leef-omgeving van eiseres sub 3 en eisers sub 4. Evenmin kan geconcludeerd worden dat er in dit geval geen sprake is van gevolgen enige betekenis vanwege de bestreden besluiten. Gelet hierop volgt de rechtbank eiseres sub 1 niet in haar stelling dat er in dit geval sprake is van zodanig verwaarloosbare effecten vanwege de bestreden besluiten I en II dat een persoonlijk belang aan de zijde van eiseres sub 3 en eisers sub 4 ontbreekt. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding om tot de conclusie te komen dat eiseres sub 3 en eisers sub 4 niet als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb kunnen worden aangemerkt bij deze bestreden besluiten. Geen grond bestaat voor het oordeel dat verweerder in dit geval eiseres sub 3 en eisers sub 4 ten onrechte ontvankelijk heeft geacht in hun bezwaren met betrekking tot de verzoeken om handhaving jegens het bedrijf van eiseres sub 1. Deze grond van eiseres sub 1 slaagt niet.


Tussenconclusie



3.6.
Gelet op de voorgaande overwegingen zijn de beroepen van eiseres sub 1 ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling, als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb, bestaat geen aanleiding.


Verlenen van de omgevingsvergunning


Inzake LEE 19/3656

4. Tussen partijen is in geschil of verweerder een omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen ten behoeve van het bouwen van sleufsilo’s op het perceel te [plaats] in het kader van een legaliseringstraject. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.



4.1.
Eiseres sub 2 betoogt dat verweerder ten onrechte de aanvraag om omgevings-vergunning van eiseres sub 1 in behandeling heeft genomen. In dit verband wijst eiseres sub 2 erop dat een aanvrager om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk in beginsel wordt verondersteld belanghebbende te zijn bij een beslissing op de door hem ingediende aanvraag. Daarbij acht eiseres sub 2 van belang dat uit vaste jurisprudentie van de AbRvS (ECLI:NL:RVS:2017:2002) blijkt dat, indien aannemelijk is gemaakt dat het bouwplan niet kan worden verwezenlijkt, de aanvrager niet als belanghebbende wordt gezien. Verder blijkt uit bestendige jurisprudentie van de AbRvS dat als de grondeigenaar zich verzet tegen bebouwing van de grond wordt aangenomen dat het bouwplan niet kan worden verwezenlijkt. In dit verband wijst eiseres sub 2 erop dat de meest oostelijke sleufsilo is gesitueerd op een strook grond met de bestemming “Bos”. Dit perceel is in eigendom bij eiseres sub 2 en aan de gemeente Franekeradeel (inmiddels gefuseerd met andere gemeenten tot de gemeente Waadhoeke) uitgegeven in erfpacht sedert 1 januari 1991 voor de duur van 50 jaar. Nadat is geconstateerd dat eiseres sub 1 zijn bedrijfsterrein heeft uitgebreid in voormelde grond, heeft eiseres sub 2 verweerder bij brief van 12 september 2016 verzocht om handhavend op te treden. In de visie van eiseres sub 2 heeft verweerder dit verzoek om handhaving genegeerd. Nadien heeft eiseres sub 2 meerdere keren aan verweerder laten weten dat zij zich uitdrukkelijk verzet tegen bebouwing van voormeld perceel. Nu naar de mening van eiseres sub 2 aannemelijk is gemaakt dat het door eiseres sub 1 ingediende bouwplan niet kan worden verwezenlijkt, kan eiseres sub 1 niet worden aangemerkt als belanghebbende bij de door haar ingediende aanvraag. Hieruit volgt volgens eiseres sub 2 dat de aanvraag om omgevingsvergunning van eiseres sub 1 dientengevolge niet kan worden aangemerkt als een verzoek van een belanghebbende. Van een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb is daarom geen sprake, aldus eiseres sub 2.



4.2.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat ten tijde van het nemen van het primaire besluit I van 28 december 2016 het geenszins aannemelijk was dat het bouwplan niet zou kunnen worden verwezenlijkt. In dit verband wijst verweerder erop dat de bedoeling van de jurisprudentie van de Afdeling, zo leest verweerder die jurisprudentie althans, is dat er geen omgevingsvergunning dient te worden verleend voor een bouwplan dat toch nooit kan worden gerealiseerd. Twijfels of dit privaatrechtelijk juist is, is in de visie van verweerder onvoldoende; het moet aannemelijk zijn. In dit verband wijst verweerder erop dat het immers te ver zou voeren dat het privaatrechtelijke belangen gaat beschermen via de beoordeling van de belanghebbendheid, als de privaatrechtelijke situatie nog niet duidelijk is. In dit kader verwijst verweerder naar een uitspraak van 23 januari 2019 van de AbRvS (ECLI:NL:RVS: 2019:198), waaruit blijkt dat wanneer er discussie is over de privaatrechtelijke verhoudingen, niet op voorhand kan worden gesteld dat het aannemelijk is dan een bouwplan niet kan worden verwezenlijkt. In dit verband wijst verweerder erop dat mocht uiteindelijk komen vast te staan dat eiseres sub 2 eigenaar is van de betreffende strook grond, dan kan zij uiteraard haar daaruit voortvloeiende rechten doen gelden richting eiseres sub 1, zo nodig met bescherming van die rechten door de civiele rechter. Gelet op zowel de stelling van eiseres sub 1 ten aanzien van de eigendomssituatie in afwijking van de kadastrale gegevens als gelet op het feit dat er concreet overleg was over de verkoop van de grond, heeft verweerder in zijn visie eiseres sub 1 terecht aangemerkt als belanghebbende en dienten-gevolge haar aanvraag terecht in behandeling genomen. Verweerder is dan ook van mening dat het beroep van eiseres sub 2 ongegrond is. Daarnaast wijst verweerder erop dat eiseres sub 1 inmiddels overigens heeft ingestemd met het definitieve taxatierapport en zij wil de grond voor de daarin getaxeerde waarde kopen.


4.3.1.
Uit vaste jurisprudentie van de AbRvS, onder meer kenbaar uit ECLI:NL:RVS:2017: 2002, volgt dat een aanvrager om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouw-werk in beginsel wordt verondersteld belanghebbende te zijn bij een beslissing op de door hem ingediende aanvraag. Dit is anders indien aannemelijk is gemaakt dat het bouwplan niet kan worden verwezenlijkt. Die situatie doet zich in dit geval voor nu de aanvrager geen eigenaar is van de grond waarop de aanvraag betrekking heeft en de eigenaar van de grond zich tegen bebouwing daarvan verzet.



4.3.2.
In een uitspraak van 23 januari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:198) overwoog de AbRvS onder meer als volgt:

“2.2. Als hoofdregel geldt dat een aanvrager om een vergunning in beginsel wordt verondersteld belanghebbende te zijn bij een beslissing op zijn verzoek. In de jurisprudentie van de Afdeling is op deze regel een uitzondering gemaakt voor verzoeken om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk en het vellen van een houtopstand. Indien aannemelijk is dat het bouwplan niet kan worden verwezenlijkt of dat de houtopstand niet kan worden geveld, is de aanvrager geen belanghebbende en is zijn verzoek om vergunning geen aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb (uitspraken van 15 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2710, ten aanzien het bouwen van een bouwwerk en 19 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3048, ten aanzien van het vellen van een houtopstand).


De gevraagde vergunningen strekken tot het plaatsen van aanvullende voorzieningen op gronden die in eigendom zijn van de Staat. Het Rijksvastgoedbedrijf heeft onder meer in zijn brief van 24 november 2015 laten weten dat het realiseren van de voorzieningen in strijd is met gemaakte afspraken in het kader van de Wet tot veiling van bepaalde verkooppunten van motorbrandstoffen (hierna: Veilingwet). De Staat zal voor het realiseren van de voor-zieningen geen privaatrechtelijke toestemming verlenen. Fastned heeft echter gemotiveerd en onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009: BH7845, gesteld dat - kort gezegd - de Staat privaatrechtelijke toestemming niet zonder meer kan weigeren. Zij heeft een civiele procedure gestart teneinde toestemming te krijgen om aanvullende voorzieningen bij haar energielaadpunten aan te bieden. Gelet op hetgeen Fast-ned heeft aangevoerd is de uitkomst van deze procedure ongewis. Onder deze omstandig-heden kan niet op voorhand worden gezegd dat de gevraagde voorzieningen niet kunnen worden gerealiseerd. Er bestaat daarom geen grond voor het oordeel dat Fastned geen belanghebbende is. De verzoeken om vergunning zijn dan ook terecht in behandeling genomen.”





4.4.
De rechtbank stelt vast dat eiseres sub 2 eigenaresse is van de strook grond waarop een van de zes sleufsilo’s van eiseres sub 1 is geplaatst. Verder stelt de rechtbank vast dat eiseres sub 2 als eigenaresse van de bedoelde grond zich ten tijde van het bestreden besluit tegen de bebouwing daarvan verzet. Daarnaast dient te worden vastgesteld dat verweerder en eiseres sub 1 ten tijde van de aanvraag om omgevingsvergunning en ten tijde van het primaire besluit I geen civiele procedure hebben gestart teneinde toestemming te verkrijgen om op de vorenbedoelde strook grond te bouwen. Evenmin heeft eiseres sub 1 in dit geval aan de hand van concrete, verifieerbare stukken aannemelijk gemaakt dat er sprake is van verkrijgende verjaring van de vorenbedoelde strook grond. Gelet hierop mist de uitspraak van 23 januari 2019 van de AbRvS (ECLI:NL:RVS:2019:198), waarnaar is verwezen door verweerder, naar het oordeel van de rechtbank onverkorte toepassing. Verder is de rechtbank van oordeel dat de hoofdregel uit vaste jurisprudentie van de AbRvS, onder meer kenbaar uit ECLI:NL:RVS:2017: 2002, van toepassing is. Die hoofdregel houdt in dat een aanvrager om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk in beginsel wordt verondersteld belanghebbende te zijn bij een beslissing op de door hem ingediende aanvraag. Dit is anders indien aannemelijk is gemaakt dat het bouwplan niet kan worden verwezenlijkt. Die situatie doet zich voor als de aanvrager geen eigenaar is van de grond waarop de aanvraag betrekking heeft en de eigenaar van de grond zich tegen bebouwing daarvan verzet. Nu eiseres sub 1 ten tijde van de aanvraag om omgevingsvergunning en het primaire besluit I geen eigenaresse was van de grond waarop de aanvraag betrekking heeft en eiseres sub 2 als eigenaresse van die grond zich tegen de bebouwing daarvan is blijven verzetten, heeft verweerder de aanvraag om omgevingsvergunning naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte in behandeling genomen. Het had in de rede gelegen dat verweerder voormelde aanvraag om omgevingsvergunning van eiseres sub 1 om die reden buiten behandeling had gesteld. Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich dat verweerder bij het bestreden besluit I de bezwaren van eiseres sub 2 ten onrechte ongegrond heeft verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder de bezwaren van eiseres sub 2, gericht tegen het primaire besluit I, gegrond dienen te verklaren, dat besluit dienen te herroepen en de aanvraag om omgevingsvergunning alsnog buiten behandeling dienen te stellen. Om die reden is het beroep van eiseres sub 2 gegrond en komt het bestreden besluit I voor vernietiging in aanmerking.



4.5.
De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien of te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit I in stand blijven. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat er ten tijde van de heroverweging in de bezwaarfase weliswaar ontwikkelingen plaatsvonden in het kader van de mogelijke aankoop van de vorenbedoelde strook grond door eiseres sub 1, maar dat verweerder zoals hieronder zal worden overwogen in subparagraaf 8.3. ontoereikend in kaart heeft gebracht wat de milieugevolgen en de gevolgen voor een goed woon- en leefklimaat zijn van de verleende omgevingsvergunning strijdig gebruik. Onder die omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om te onderzoeken of de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit I in stand kunnen blijven.


Tussenconclusie



4.6.
Gelet op rechtsoverweging 4.4. is het beroep van eiseres sub 2 gegrond en komt het bestreden besluit I voor vernietiging in aanmerking. Nu niet is gebleken van kosten die ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor vergoeding in aanmerking komen, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb. Wel ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat verweerder het door eiseres sub 2 betaalde griffierecht ad € 345,-- aan haar dient te vergoeden.


Inzake LEE 19/3670

5. Tussen partijen is in geschil of verweerder een omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen ten behoeve van het bouwen van sleufsilo’s op het perceel te [plaats] in het kader van een legaliseringstraject. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.


Ten aanzien van de ontvankelijkheid van eiseres sub 3

6. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van eiseres sub 3 overweegt de rechtbank als volgt.



6.1.
Verweerder merkt op dat er beroep is ingesteld “namens familie [naam]”. Dit betreft echter geen (rechts)persoon. Beroep kan worden ingesteld namens de heer en/of mevrouw [naam], maar niet namens een familie. Daarom is verweerder van mening dat het beroep in dit geval niet-ontvankelijk is, waarbij wordt verwezen naar een uitspraak van 20 juli 2016 van de AbRvS (ECLI:NL:RVS:2016:2031). Gelet op deze uitspraak moet het er volgens verweerder voor worden gehouden dat onduidelijkheid over degene namens wie beroep is ingesteld, niet kan worden beschouwd als een vormverzuim dat op grond van artikel 6:6 van de Awb kan worden hersteld, omdat tijdens de beroepstermijn in het geheel nog niet vaststaat wie beroep heeft in willen stellen. Dit is een uiterst formeel verweer, daar is verweerder zich van bewust. In dit kader laat verweerder echter meewegen dat “familie [naam]” zich laat bijstaan door een professionele rechtsbijstandverlener. Bovenal acht verweerder het noodzakelijk om te weten wie beroep heeft ingesteld. In dit verband wijst verweerder erop dat het vermoeden dat (ook) mevrouw [naam] beroep heeft ingesteld wel kan worden uitgesproken, maar dit valt op basis van het beroepschrift niet met zekerheid te stellen. Als dit afkomstig zou zijn van haar echtgenoot en eventuele kinderen, dan is het beroep niet-ontvankelijk, omdat zij geen bezwaar hebben gemaakt, aldus verweerder. In de visie van verweerder is het juridisch dus ook van belang om duidelijk te hebben wie er beroep heeft ingesteld, omdat vage formuleringen van de beroepspartij(en) het anders ook mogelijk maken dat er na het verstrijken van de beroepstermijn door een derde wordt aangesloten bij een wél tijdig ingediend beroep. Gelet hierop acht verweerder dit een fundamenteel punt, waardoor het niet anders kan concluderen dan dat het beroep om deze redenen niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.



6.2.
Uit vaste jurisprudentie van de AbRvS, onder meer kenbaar uit ECLI:NL:RVS:2016: 2031, volgt dat de omstandigheid dat beroep wordt ingesteld namens een persoon of per-sonen van wie tijdens de beroepstermijn de identiteit niet kenbaar is, niet worden beschouwd als een vormverzuim dat op grond van artikel 6:6 van de Awb kan worden hersteld. In dat geval staat tijdens de beroepstermijn immers in het geheel nog niet vast wie beroep heeft willen instellen. De artikelen 6:5 en 6:6 van de Awb strekken er niet toe het mogelijk te maken beroep in te stellen namens nog onbekende personen. De in artikel 8:1, in samenhang met de artikelen 6:7 en 6:11 van de Awb, neergelegde regeling met betrekking tot de beroepstermijn brengt met zich dat de identiteit van degenen namens wie beroep wordt ingesteld, voor afloop van de beroepstermijn kenbaar moet zijn.



6.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat in dit geval beroep is ingesteld (door een professionele gemachtigde) namens “de familie [naam]”. De familie [naam] is in het beroepschrift door gemachtigde nader aangeduid met het woonadres. Geen grond bestaat voor het oordeel dat het beroep van eiseres sub 3 niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseres sub 3 deel uitmaakt van de “de familie [naam]”, woonachtig is op het door gemachtigde opgegeven adres en dat verweerder daarvan ook op de hoogte is of moet zijn. Hieruit volgt dat de identiteit van eiseres sub 3 voor afloop van de beroepstermijn kenbaar is. Dit brengt met zich dat het beroep van eiseres sub 3 ontvankelijk is en dat de gronden van dit beroep inhoudelijk zullen worden beoordeeld. Gelet op de voorgaande overwegingen volgt de rechtbank verweerder niet in zijn stellingname. De voorgaande overwegingen brengen met zich dat het beroep, voor zover dit is ingediend namens de overige leden van de familie [naam], woonachtig op het opgegeven adres, naar het oordeel van de rechtbank niet-ontvankelijk is.


Inhoudelijk



7.1.
Eiseres sub 3 betoogt dat als de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing is, dat dan geldt dat voor een concreet zicht op legalisatie voldoende is dat verweerder de bereidheid uitspreekt te zullen vergunnen. Uitzondering hierop vormt een situatie waarbij op voorhand duidelijk is dat het besluit om te legaliseren onhoudbaar is (vgl. AbRvS, 9 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:594). In de visie van eiseres sub 3 is met betrekking tot de ver-leende omgevingsvergunning voor de meest oostelijke sleufsilo van die laatste situatie sprake. In dit verband wijst eiseres sub 3 erop dat de omgevingsvergunning is verleend met artikel 4 van bijlage II van het Bor. Van een bijbehorend bouwwerk, gelegen op hetzelfde perceel, is naar de mening van eiseres sub 3 geen sprake omdat het perceel (overigens in eigendom van Staatsbosbeheer), waarop de meest oostelijke sleufsilo is gelegen, niet hetzelfde perceel betreft en er geen hoofdgebouw aanwezig is. Hieruit volgt volgens eiseres sub 3 dat de omgevingsvergunning op onjuiste gronden is verleend. Mitsdien kan er geen sprake zijn van concreet zicht op legalisatie en zal in de visie van eiseres sub 3 handhavend moeten worden opgetreden tegen het strijdige gebruik en strijdige bouwwerken op de strook grond met de bestemming “Bos”.



7.2.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat op juiste gronden een omgevings-vergunning is verleend aan eiseres sub 1 voor de sleufsilo en dat terecht is geoordeeld dat de sleufsilo’s die (volledig) binnen de geldende bestemming zijn gebouwd, niet vergunning-plichtig zijn. Wat dit laatste betreft, merkt verweerder op dat de gronden van beroep van eiseres sub 3 uitsluitend betrekking hebben op de omgevingsvergunning, dus op datgene wat is vergund. Wat de omgevingsvergunning voor de zesde, meest oostelijk gelegen sleufsilo betreft, merkt verweerder op dat toepassing is gegeven aan artikel 4, derde lid, van bijlage II van het Bor. Anders dan eiseres sub 3 veronderstelt, is er in de visie van verweerder geen omgevingsvergunning verleend voor een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van bijlage II bij het Bor, waarnaar zij verwijst, maar voor een bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat voldoet aan de eisen als in het toegepaste artikelonderdeel gesteld. Verder is er naar de mening van verweerder voor wat betreft de verleende omgevings-vergunning sprake van een deugdelijke belangenafweging. Voor zover eiseres sub 3 in dit verband stelt dat er geen ruimte meer zou zijn voor een landschappelijke inpassing van de
door eiseres sub 1 te bouwen loods, wijst verweerder erop dat die inpassing echter nog dient te worden beoordeeld én te worden goedgekeurd door verweerder, hetgeen als voorwaarde aan die omgevingsvergunning is verbonden. In de visie van verweerder hoort deze belangen-afweging thuis in dat kader, maar is daarvoor bij het beoordelen van de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor de sleufsilo’s geen plaats.



7.3.
De rechtbank stelt vast dat verweerder in dit geval voor het verlenen van een omgevingsvergunning ten behoeve van de bouw van de meest oostelijk gelegen sleufsilo toepassing heeft gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten tweede van de Wabo, in samenhang gelezen met artikel 4, derde lid, van bijlage II van het Bor. De rechtbank stelt verder vast dat artikel 4, derde lid, van de bij het Bor behorende bijlage II een categorie van bouwwerken aanwijst waarvoor met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten tweede van de Wabo van het bestemmingsplan kan worden afgeweken (vgl. AbRvS, 7 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY2516). Tussen partijen is niet in geschil, en de rechtbank neemt dit als een vaststaand gegeven aan, dat de bouw van de meest oostelijk gelegen sleufsilo voldoet aan de in artikel 4, derde lid, van bijlage II van het Bor gestelde voorwaarden. Gelet hierop was verweerder naar het oordeel van de rechtbank bevoegd om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten tweede van de Wabo omgevingsvergunning te verlenen voor het legaliseren van de bouw van de meest oostelijk gelegen sleufsilo in afwijking van voormeld bestemmingsplan. Aangezien er in dit geval geen sprake is van een bijbehorend bouwwerk in de zin van artikel 4, eerste lid, van bijlage II van het Bor en verweerder bij het verlenen van de omgevingsvergunning aan dit artikelonderdeel geen toepassing heeft gegeven, mist het daarop betrekking hebbende betoog van eiseres sub 3 feitelijke grondslag. Deze grond van eiseres sub 3 slaagt daarom niet.



8.1.
Eiseres sub 3 betoogt dat de landschappelijke inpassing niet uitvoerbaar is omdat in de bebouwingsvrije zone van vijf meter van de keur van het waterschap wordt gekomen en omdat de landschappelijke inpassing aan de oostelijke kant van het perceel niet kan worden gerealiseerd. Daarbij verwijst eiseres sub 3 naar een advies van de StAB in een eerdere procedure. Wel zou eventueel op de strook grond, in eigendom van Staatsbosbeheer, beplanting mogelijk zijn. Met de omgevingsvergunning voor de oostelijk gelegen sleufsilo en de veronderstelling van verweerder dat gedeeltelijk verharding is vergund met de omgevingsvergunning van 28 april 2015, komt de landschappelijke inpassing die als strikte voorwaarde is gesteld, in de visie van eiseres sub 3 ernstig in gevaar. Zo ver in gevaar, dat niet meer aan een landschappelijke inpassing kan worden toegekomen nu ook aan de noordzijde en de oostelijke zijde geen beplanting meer mogelijk is, aldus eiseres sub 3. In dit verband wijst eiseres sub 3 erop dat beplanting conform het beplantingsplan noodzakelijk is om licht- en geluidhinder van het bedrijf van eiseres sub 1 tegen te gaan. Naar de mening van eiseres sub 3 is de door verweerder verrichte belangenafweging ondeugdelijk.



8.2.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat er voor wat betreft de verleende omgevingsvergunning sprake is van een deugdelijke belangenafweging. Voor zover eiseres sub 3 in dit verband stelt dat er geen ruimte meer zou zijn voor een landschappelijke inpassing van de door eiseres sub 1 te bouwen loods, wijst verweerder erop dat die inpassing nog dient te worden beoordeeld én te worden goedgekeurd door verweerder, hetgeen als voorwaarde aan die omgevingsvergunning is verbonden. In de visie van verweerder hoort deze belangenafweging thuis in dat kader, maar is daarvoor bij het beoordelen van de aan-vraag voor de omgevingsvergunning voor de sleufsilo’s geen plaats.



8.3.
De rechtbank stelt vast dat verweerder in het kader van het verlenen van een omgevingsvergunning voor het strijdige gebruik toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten tweede, van de Wabo, in samenhang gelezen met artikel 4, derde lid, van bijlage II van het Bor. Bij de gebruikmaking van de aan hem toekomende bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan dient verweerder bij de toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten tweede van de Wabo te beoordelen of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening en dient verweerder de betrokken belangen af te wegen. In dat verband overweegt de rechtbank dat verweerder de milieugevolgen en de gevolgen voor een goed woon- en leefklimaat van de omwonenden vanwege het strijdige gebruik ten behoeve van de te legaliseren sleufsilo’s ontoereikend in kaart heeft gebracht en daardoor onvoldoende in de beoordeling heeft betrokken. Dit brengt met zich dat aan het bestreden besluit I ook in zoverre een zorgvuldigheidsgebrek en een motiveringsgebrek kleven. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat als gevolg van voormelde gebreken ook een deugdelijke motivering van de door verweerder te verrichten belangenafweging in het bestreden besluit I ontbreekt. Deze grond van eiseres sub 3 slaagt. Om die reden is het beroep van eiseres sub 3 gegrond en komt het bestreden besluit I ook in zoverre voor vernietiging in aanmerking.
De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien of te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit I in stand blijven omdat de rechtbank naar aanleiding van het beroep van eiseres sub 2 het onderhavige bestreden besluit zal vernietigen, het primaire besluit zal herroepen en de aanvraag voor de omgevingsvergunning alsnog buiten behandeling zal stellen.


Tussenconclusie



8.4.
Gelet op rechtsoverweging 8.3. is het beroep van eiseres sub 3 gegrond en komt het bestreden besluit I voor vernietiging in aanmerking. Aangezien het beroep van eiseres sub 3 gegrond wordt verklaard, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder ingevolge artikel 8:75 van de Awb in de proceskosten van eiseres sub 3 te veroordelen. Onder toepassing van het Bpb kunnen deze kosten worden begroot op € 1.518,-- (beroepschrift één punt en het ver-schijnen ter zitting één punt; waarde per punt € 759,--; gewicht van de zaken: gemiddeld) in verband met door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Verder ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat verweerder het door eiseres sub 3 betaalde griffierecht ad
€ 174,-- aan haar dient te vergoeden.


Inzake LEE 19/3729

9. Tussen partijen is in geschil of verweerder een omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen ten behoeve van het bouwen van sleufsilo’s op het perceel te [plaats] in het kader van een legaliseringstraject. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.


Ten aanzien van de ontvankelijkheid van eisers sub 4

10. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van eisers sub 4 overweegt de rechtbank als volgt.



10.1.
Verweerder merkt op dat in het beroepschrift staat dat beroep is ingesteld namens de heer en mevrouw [naam], terwijl daarin ook wordt gesproken over “cliënten”. In dit verband wijst verweerder erop dat in het bezwaarschrift tegen de primaire besluiten daaren-tegen enkel mevrouw [naam] wordt genoemd. Verder wijst verweerder er in dit verband op dat de heer [naam] geen bezwaar heeft ingesteld tegen de primaire besluiten. Om die reden gaat verweerder er voor het verweer in deze zaak vanuit dat het beroep uitsluitend is ingesteld door mevrouw [naam].



10.2.
De rechtbank stelt vast dat de bezwaarschriften, gericht tegen de primaire besluiten, uitsluitend zijn ingediend op de naam van mevrouw [naam]. Niet is gebleken dat de heer [naam] binnen de daarvoor geldende wettelijke termijn niet in staat is geweest om een bezwaarschrift in te dienen of te laten indienen. Gelet hierop is het beroep van eisers sub 4, voor zover dit mede is ingediend namens de heer [naam], niet-ontvankelijk.


Inhoudelijk



11.1.
Eisers sub 4 betogen dat het besluit van 12 september 2019 tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een sleufsilo onzorgvuldig tot stand is gekomen. In dit verband wijzen eisers sub 4 erop dat verweerder een besluit heeft genomen op basis van een onvolledig ingevuld aanvraagformulier. In de visie van eisers sub 4 kan noch op basis van de aanvraag, noch op basis van de verleende vergunning, worden vastgesteld wat deze aanvraag precies omvat. In dat kader achten eisers sub 4 van belang dat niet alle verplichte vragen op het aanvraagformulier zijn beantwoord. Bovendien is de vermelding in de aanvraag, dat de aanvrager eigenaar is van de percelen waar de sleufsilo’s op gebouwd zijn, niet correct. In dit verband wijzen eisers sub 4 erop dat de overtreder in 2015/2016 een strook bosgrond in eigendom van Staatsbosbeheer (SBB) bij zijn bedrijfsperceel getrokken en zelfs deels verhard. Deze overtreding is bij verweerder gemeld. Eisers sub 4 hebben een verzoek om handhaving ingediend. Ook SBB, de eigenaar van de grond, heeft gedurende een periode van drie jaar, herhaalde verzoeken om handhaving ingediend. Verweerder heeft daar nimmer een besluit opgenomen. In plaats daarvan heeft verweerder gedurende drie jaar alles in het werk gesteld om SBB te bewegen om van handhaving af te zien.



11.2.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres sub 1 bij het indienen van de aanvraag om omgevingsvergunning heeft voldaan aan de indieningsvereisten op grond van de Regeling omgevingsrecht (Mor). Dat daarbij is aangegeven dat eiseres sub 1 eigenaar is
van de strook grond met de bestemming “Bos”, maakt de besluitvorming in de visie van verweerder niet onzorgvuldig. In dit verband wijst verweerder erop dat eiseres sub 1 zelf immers ook stelt door verjaring eigenaar te zijn geworden.



11.3.
Uit rechtsoverweging 4.4. volgt dat de rechtbank van oordeel is dat verweerder ten onrechte de aanvraag om omgevingsvergunning in behandeling heeft genomen. Het had in de rede gelegen dat verweerder voormelde aanvraag om omgevingsvergunning van eiseres sub 1 om die reden buiten behandeling had gesteld. In hetgeen verweerder naar voren heeft gebracht, ziet de rechtbank geen aanleiding om daar thans anders over te oordelen. Dit brengt met zich dat de grond van eisers sub 4 slaagt. Om die reden is het beroep van eisers sub 4 gegrond en komt het bestreden besluit I ook in zoverre voor vernietiging in aanmerking.
De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien of te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit I in stand blijven omdat de rechtbank naar aanleiding van het beroep van eiseres sub 2 het onderhavige bestreden besluit zal vernietigen, het primaire besluit zal herroepen en de aanvraag voor de omgevingsvergunning alsnog buiten behandeling zal stellen.


Tussenconclusie



11.4.
Gelet op rechtsoverweging 11.3. is het beroep van eisers sub 4 gegrond en komt het bestreden besluit I voor vernietiging in aanmerking. Aangezien het beroep van eisers sub 4 gegrond wordt verklaard, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder ingevolge artikel 8:75 van de Awb in de proceskosten van eisers sub 4 te veroordelen. Onder toepassing van het Bpb kunnen deze kosten worden begroot op € 1.518,-- (beroepschrift één punt en het ver-schijnen ter zitting één punt; waarde per punt € 759,--; gewicht van de zaken: gemiddeld) in verband met door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Verder ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat verweerder het door eisers sub 4 betaalde griffierecht ad € 174,-aan hen dient te vergoeden.


De handhavingsverzoeken


Inleiding

12. De rechtbank stelt vast dat de beroepen van eiseres sub 3 en eisers sub 4 en de daarin weergegeven gronden van beroep betrekking hebben op de navolgende aspecten:
- het gebruik van de gronden ten oosten van het perceel;
- het beplantingsplan;
- de verandering/uitbreiding van de inrichting;
- het gebruik van de schapenstal;
- het plaatsen van zeecontainers.
Het komt de rechtbank aangewezen voor om de gronden van beroep afzonderlijk inhoudelijk te beoordelen.


Inzake LEE 19/3670


Ten aanzien van het gebruik van de gronden ten oosten van het perceel

13. Tussen partijen is in geschil of verweerder terecht een last onder dwangsom aan eiseres sub 1 heeft opgelegd wegens het gebruik van een strook grond in strijd met het bestemmingsplan “Buitengebied 2013”. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.



13.1.
Eiseres sub 3 betoogt dat verweerder in bezwaar erkent dat de strook grond binnen de bestemming “Bos” in strijd met het bestemmingsplan “Buitengebied 2013” wordt gebruikt door eiseres sub 1. Door het nu inwilligen van het verzoek om handhaving en het opleggen van een last onder dwangsom zou aan het bezwaar zijn tegemoet gekomen. Dat is naar de mening van eiseres sub 3 slechts gedeeltelijk het geval. In dit verband wijst eiseres sub 3 erop dat verweerder niet handhavend optreedt tegen de strijdigheid van de gehele strook grond met de bestemming “Bos” dat in gebruik is door eiseres sub 1. Daarbij acht eiseres sub 3 van belang dat het strijdige gebruik en het verzoek om handhaving alle verharding van het perceel met de bestemming “Bos” omvat en de meest oostelijk gelegen sleufsilo die niet gelegaliseerd kan worden omdat hiervoor een vergunning op onjuiste gronden is verleend en geen sprake is van een op hetzelfde perceel bijbehorend bouwwerk.
Volgens eiseres sub 3 wordt er door verweerder nu vanuit gegaan dat met de verleende uitgebreide omgevingsvergunning voor het bouwen van de nieuwe bedrijfsloods alle verharding op het perceel en omliggende percelen zou zijn gelegaliseerd. In dit verband wijst eiseres sub 3 erop dat de situatietekening behorende bij de aanvraag een vlak grijs zou bevatten en daarmee zou dan impliciet alle verharding, ook verharding buiten het perceel van aanvrager, zijn vergund. Daarbij wordt in de visie van eiseres sub 3 nu door verweerder buiten het besluitvlak van de uitgebreide omgevingsvergunning gegaan. In de opinie van eiseres sub 3 is duidelijk te zien dat de verleende uitgebreide omgevingsvergunning uit-sluitend het perceel van eiseres sub 3 betreft en niet mede ziet op de bestemming “Bos”. Dat blijkt volgens eiseres sub 3 ook uit de uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan “Buitengebied 2013”. Met een buitengewoon creatieve redenering die geheel indruist tegen de rechtszekerheid en in strijd is met het vertrouwensbeginsel, meent verweerder volgens eiseres sub 3 dat er slechts een beperkte strijdigheid van het gebruik van de gehele strook bosgrond door eiseres sub 1, zich voordoet. Naar de mening van eiseres sub 3 wordt de gehele strook grond met de bestemming “Bos” door eiseres sub 1 in strijd met de bestem-ming door haar gebruikt. Van een (impliciet) verleende vergunning ten aanzien van de ver-harding op de strook bosgrond kan in de visie van eiseres sub 3 geen enkele sprake zijn. In dit verband wijst eiseres sub 3 erop dat een derde ervan uit moet kunnen gaan dat binnen het kader van de uitgebreide omgevingsvergunning wordt gebleven en dat de vergunning niet wordt opgerekt naar buiten de perceelsgrenzen. Naar de mening van eiseres dient binnen de kaders waarvoor de omgevingsvergunning is aangevraagd te worden gebleven alsmede de ruimtelijke onderbouwing en waarvoor omgevingsvergunning is verleend.



13.2.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat het met het bestreden besluit I in voldoende mate wordt opgetreden tegen de geconstateerde overtreding. Ten aanzien van de bewuste zesde sleufsilo vergist eiseres sub 3 zich in de visie van verweerder vermoedelijk: zij spreekt over concreet zicht op legalisatie. Dat doet zich voor wanneer sprake is van een overtreding, maar die overtreding kan worden gelegaliseerd, aldus verweerder. In dit geval is er volgens verweerder echter geen sprake meer van een overtreding, omdat die zesde sleufsilo al is vergund. Dat die omgevingsvergunning nog niet onherroepelijk is, maakt dit niet anders. Ook lijkt er in de visie van verweerder een misverstand te bestaan over het al dan niet vergund zijn van de strook grond waarop de last betrekking heeft voor zover die is gelegen tegenover de door eiseres sub 1 te bouwen nieuwe loods. Dat is niet vergund, maar voor dit gebruik stelt verweerder dat zijn rechtsvoorganger (het college van B&W van Franekeradeel) hiervoor toestemming heeft gegeven, waardoor verweerder meent niet meer handhavend te kunnen optreden. Dat staat in de visie van verweerder los van eventuele gronden van derden die buiten het besluitvak vallen waarop de omgevingsvergunning voor de bouw van de nieuwe loods d.d. 28 april 2015 betrekking heeft. Verder is verweerder van mening dat de last voldoende duidelijk is beschreven en dat de dwangsom hoog genoeg is om te dwingen. Daarbij acht verweerder het voor eiseres sub 3 van belang te benadrukken dat een overtreder een last niet kan ‘afkopen’ door de betaling van een verbeurde dwangsom. Indien de maximale dwangsom is bereikt, zal verweerder een hogere dwangsom opleggen of bestuursdwang opleggen, zolang er geen sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden.



13.3.
De rechtbank stelt vast dat verweerder bij besluit van 10 september 2019 een last onder dwangsom aan eiseres sub 1 heeft opgelegd. Verder stelt de rechtbank vast dat verweerder bij besluit van 12 september 2019 aan eiseres sub 1 een omgevingsvergunning voor bouwen in afwijking van het bestemmingsplan heeft verleend ter legalisering van de geplaatste sleufsilo’s. Hierbij acht de rechtbank van belang dat voormelde besluiten onderdeel uitmaken van de bestreden besluit I en II. In dit verband overweegt de rechtbank dat de sleufsilo in de strook grond met de bestemming “Bos” is vergund met een afwijkings- vergunning, maar dat die omgevingsvergunning, gelet op de rechtsoverwegingen 4.4., 8.3. en 11.3., voor vernietiging in aanmerking komt, waarbij het primaire besluit zal worden herroepen. Verder overweegt de rechtbank dat de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft erkend dat met de bij besluit van 28 april 2015 verleende omgevingsvergunning voor de bouw van een loods het strijdige gebruik van de strook grond met de bestemming “Bos” niet is opgeheven. Gelet daarop is er naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat er in dit geval sprake is van een concreet zicht op legalisatie, zodat verweerder in zoverre gehouden is om handhavend op te treden. Verder is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken van een nadere onderbouwing door middel van een akoestisch onderzoek en een daarop gebaseerd geluidsrapport waaruit blijkt dat het bedrijf van eiseres sub 1 met de huidige inrichting van het bedrijfsterrein voldoet aan de toepasselijke normen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat er een zorgvuldigheids- en een motiveringsgebrek kleven aan het bestreden besluit II en het daarvan deel uitmakende besluit van 10 september 2019. Hieruit volgt dat het bestreden besluit II en het daarvan deel uitmakende besluit van 10 september 2019 in strijd met het bepaalde in artikel 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb zijn genomen. Dit betekent dat deze grond van eiseres sub 3 slaagt. Om die reden is het beroep van eiseres sub 3 gegrond en komen het bestreden besluit II en het daarvan deel uitmakende besluit van 10 september 2019 in zoverre voor vernietiging in aanmerking.


Ten aanzien van het beplantingsplan

14. Tussen partijen is in geschil of verweerder terecht het handhavingsverzoek van eiseres sub 3 met betrekking tot het beplantingsplan heeft afgewezen. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.



14.1.
Eiseres sub 3 betoogt dat de landschappelijke inpassing niet uitvoerbaar is omdat in de bebouwingsvrije zone van vijf meter van de keur van het waterschap wordt gekomen en omdat de landschappelijke inpassing aan de oostelijke kant van het perceel niet kan worden gerealiseerd. Daarbij verwijst eiseres sub 3 naar een advies van de StAB in een eerdere procedure. Wel zou eventueel op de strook grond, in eigendom van Staatsbosbeheer, beplanting mogelijk zijn. Met de omgevingsvergunning voor de oostelijk gelegen sleufsilo en de veronderstelling van verweerder dat gedeeltelijk verharding is vergund met de omgevingsvergunning van 28 april 2015, komt de landschappelijke inpassing die als strikte voorwaarde is gesteld, in de visie van eiseres sub 3 ernstig in gevaar. Zo ver in gevaar, dat niet meer aan een landschappelijke inpassing kan worden toegekomen nu ook aan de noordzijde en de oostelijke zijde geen beplanting meer mogelijk is, aldus eiseres sub 3.



14.2.
Voor zover eiseres sub 3 in dit verband stelt dat er geen ruimte meer zou zijn voor een landschappelijke inpassing van de door eiseres sub 1 te bouwen loods, wijst verweerder erop dat die inpassing nog dient te worden beoordeeld én te worden goedgekeurd door verweerder, hetgeen als voorwaarde aan die omgevingsvergunning is verbonden. In de visie van verweerder hoort deze belangenafweging thuis in dat kader, maar is daarvoor bij het beoordelen van de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor de sleufsilo’s geen plaats.



14.3.
De rechtbank stelt vast dat de omgevingsvergunning voor de bouw van een loods bij besluit van 28 april 2015 is verleend onder de aanvullende voorwaarde van een instand-houdingsverplichting van de beplanting conform het beplantingsplan. Deze voorwaarde is, zoals verweerder terecht naar voren heeft gebracht, overgenomen in voormeld bestemmings-plan. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat de verplichting, voortvloeiend uit de verleende omgevingsvergunning, daarmee is komen te vervallen. Reeds om die reden heeft verweerder het daarop betrekking hebbende handhavingsverzoek van eiseres sub 3 ten onrechte afgewezen en die afwijzing bij het bestreden besluit II ten onrechte gehandhaafd. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder in beginsel gehouden was om de instandhoudingsverplichting van de beplanting op grond van het beplantingsplan te handhaven. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit II van verweerder onzorgvuldig tot stand is gekomen, hetgeen schending van artikel 3:2 van de Awb oplevert, en op een ondeugdelijke motivering berust, hetgeen schending van artikel 7:12, eerste lid, van de Awb oplevert. Deze grond van eiseres sub 3 slaagt. Om die reden is het beroep van eiseres sub 3 gegrond en komt het bestreden besluit II in zoverre voor vernietiging in aanmerking.


Tussenconclusie



14.4.
Gelet op de rechtsoverweging 13.3. en 14.3. is het beroep van eiseres sub 3 gegrond en komen het bestreden besluit II en het daarvan deel uitmakende besluit van 10 september 2019 in zoverre voor vernietiging in aanmerking. Aangezien het beroep van eiseres sub 3 gegrond wordt verklaard, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder ingevolge artikel 8:75 van de Awb in de proceskosten van eiseres sub 3 te veroordelen. Onder toepassing van het Bpb kunnen deze kosten worden begroot op € 759,-- (beroepschrift één punt; waarde per punt € 759,--; gewicht van de zaken: gemiddeld) in verband met door een derde beroeps-matig verleende rechtsbijstand. Verder ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat verweerder het door eiseres sub 3 betaalde griffierecht ad € 174,-- aan haar dient te vergoeden.


LEE 19/3729


Ten aanzien van de verandering/de uitbreiding van de inrichting

15. Tussen partijen is in geschil of verweerder terecht het handhavingsverzoek van eisers sub 4 voor wat betreft de verandering/de uitbreiding van de inrichting heeft afgewezen. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.



15.1.
Eisers sub 4 betogen dat de lichtoverlast bestaat uit de werklampen op het achter-terrein en lichtuitstoot uit de schapenstal. Volgens eisers sub 4 branden deze lichten branden de hele nacht en verlichten daarmee de directe omgeving. Naar eigen zeggen is het huis van eisers sub 4 niet ver genoeg om daar geen directe hinder van te ondervinden, zoals verweerder stelt. Ook op het onderdeel geluidsoverlast worden eisers niet serieus genomen door verweerder. In dit verband wijzen eisers sub 4 erop dat zij vanwege het ontbreken van een deugdelijk en recent geluidsrapport uiteindelijk zelf een expert hebben ingeschakeld. Deze expert heeft aan de hand van het aanwezige materieel het geluidsniveau berekend
Dit geluidsrapport werd, ondanks dat de berekening op basis van feitelijke gegevens is vastgesteld, terzijde geschoven door verweerder. In de visie van eisers sub 4 ontkent verweerder botweg dat het rapport op een objectieve wijze tot stand is gekomen. Dit is een voor eisers sub 4 volstrekt onbegrijpelijk standpunt, aangezien elk detail van het rapport immers verifieerbaar is. Noch verweerder, noch de bezwarencommissie, hebben dit rapport bij de beoordeling van de bezwaren willen betrekken. Vervolgens heeft verweerder voor-gesteld ter plaatse, middels geluidsmetingen, een onderzoek te laten uitvoeren door de FUMO. Dit onderzoek is volgens eisers sub 4 helaas niet uitgevoerd omdat, ieder keer als een onderzoek werd aangekondigd, de eigenaar van het loon- en kraanverhuurbedrijf zijn
bedrijfsactiviteiten naar een ander bedrijfsperceel verplaatste. Het spreekt voor zich dat, op het moment dat het belangrijkste deel van de bedrijfsactiviteiten zijn verplaatst, geen sprake meer is van een representatieve situatie en dat een geluidsonderzoek dan volstrekt zinloos is, aldus eisers sub 4. Wegens een niet representatieve bedrijfssituatie is het door verweerder aangeboden geluidsonderzoek afgeblazen. Doordat veel materiaal was verplaatst, was het volgens eisers sub 4 uiteraard viel een stuk rustiger. Echter dit was slechts een tijdelijke situatie. Het was verweerder, maar ook eisers sub 4 zelf, bekend dat, zodra de dreiging van een onderzoek van de baan zou zijn, de bedrijvigheid in volle hevigheid weer terug zou keren. Met de overlast die deze bedrijvigheid teweeg brengt, worden eisers sub 4 zes dagen in de week in alle hevigheid geconfronteerd vanaf half zes in de ochtend tot ‘s avonds laat. Feit is wel volgens eisers sub 4 dat, aan de hand de rapportage van NAA, de gegevens die wel door eiseres sub 1 zijn aangeleverd, niet volledig en/of niet juist zijn. In de visie van eisers sub 4 is het volgende vastgesteld:
- het rapport van eiseres sub 1 bevat lang niet alle aanwezige machines;
- het rapport van eiseres sub 1 negeert de machines van derden die het terrein gebruiken;
- onjuiste waarden van de machines zijn doorgegeven;
- het gebruik van de schapenstal ten behoeve van het loon- en kraanbedrijf, is buiten beschouwing gelaten;
- werkplaats ten behoeve van metaalbewerking aan eigen machines, is niet mee- genomen;
- geluidstoename door gebruik van de sleufsilo’s is niet meegenomen;
- evenals de geluidsoverlast door het schoonspuiten van het toegenomen aantal voertuigen en machines.
Het probleem waar eisers sub 4 naar eigen zeggen tegenaan lopen is het feit dat het bedrijf van eiseres sub 1 nimmer een actuele inventaris van het bedrijf en de bedrijfsactiviteiten heeft ingeleverd. Verweerder heeft het bedrijf van eiseres sub 1 nimmer dit verzoek voor-gelegd. Om die reden blijft de exacte omvang van het bedrijf een raadsel, aldus eisers sub 4.
Door de toename van bedrijfsmaterieel, de toename van bedrijvigheid, de vergroting van het perceel door het illegaal inlijven van grond van SBB, de toename van de overlast, kan in de visie van eisers sub 4 vastgesteld worden dat de omvang van het bedrijf toeneemt. Aangezien verweerder weigert, ook na herhaalde verzoeken om informatie, inzicht te geven in de om-vang van het vergunde bedrijf, wordt het voor eisers sub 4 ook heel lastig om op te komen voor hun belangen. Dat geldt ook voor de beweringen die zijn gedaan in verband met de noodzaak om de melding in het kader van het Activiteitenbesluit te actualiseren. In dit verband wijzen eisers sub 4 erop dat de laatste melding dateert van 28 april 2015 en dat die inmiddels niet meer in overeenstemming is met de huidige bedrijvigheid. Daarbij achten eisers sub 4 van belang dat het bedrijf van eiseres sub 1 geleidelijk aan over gaat op zwaardere machines, waarbij het machinepark is verdubbeld. Evenals vergroting van het bedrijfsperceel en uitbreiding met sleufsilo’s die in de opinie van eisers sub 4 aan de hoeveelheid geluidsoverlast bijdragen door het overstorten van zware materialen. Daarbij komt dat volgens eisers sub 4 bij de vaststelling van de geluidsoverlast geen rekening dient te worden gehouden met een eventuele afschermende werking van de nog te bouwen loods. In een onderzoek uit 2013, is hier ten onrechte en vooruitlopend op de bouw, wel rekening mee gehouden. Dit strekt uiteraard niet in het voordeel van eisers sub 4 omdat de geluids-belasting op oneigenlijke gronden naar beneden is bijgesteld.



15.2.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat het college van Franekeradeel met het verlenen van de omgevingsvergunning van 28 april 2015 de door eisers sub 4 genoemde activiteiten, voor zover nodig, heeft gelegaliseerd. In dit verband wijst verweerder erop dat die activiteiten binnen het bestemmingsplan vallen en dat de vereiste meldingen op grond van het Activiteitenbesluit zijn gedaan. Verweerder stelt voorop dat de gestelde veranderingen, zoals de wijziging of toename van het machinepark van eiseres sub 1, zijn geen meldingsplichtige activiteiten. Bovenal geldt wat deze beroepsgrond betreft, dat verweerder gemotiveerd heeft gesteld dat er meerdere controles zijn uitgevoerd, maar dat daarbij geen overtredingen zijn waargenomen. Ten aanzien van de vermeende geluids-overtredingen heeft verweerder juist op verzoek van eisers sub 4 de namens verweerder voorgestelde geluidsmetingen door de FUMO bij herhaling uitgesteld. Wat er ook zij van enig ander rapport, om handhavend te kunnen optreden dient er wel namens verweerder te worden vastgesteld dat er sprake is van enige overtreding. Nu verweerder geen overtredingen heeft vastgesteld en ook niet heeft kunnen vaststellen, is het handhavingsverzoek terecht afgewezen.


15.3.1.
De rechtbank overweegt dat het in het kader van de beoordeling van dit verzoek om handhaving van belang is om te bepalen welke ruimtelijke normen gelden ten aanzien van voormeld perceel. In dit verband heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat uitsluitend de planregels van het bestemmingsplan “Buitengebied 2013” bepalend zijn. Met betrekking tot dit bestemmingsplan heeft de AbRvS in een tussenuitspraak van 1 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1004) onder meer het navolgende overwogen:

“4.5.2. (…). De Afdeling overweegt dat - ook als niet het gehele bouwvlak zou worden benut voor het oprichten van bedrijfsgebouwen - het plan een toename van het aantal dieren mogelijk maakt, nu de oppervlakte van de gebouwen, die invloed heeft op het aantal dieren dat op het perceel kan worden gehouden, in niet geringe mate kan toenemen. Daarnaast is op grond van het plan een uitbreiding van de activiteiten van het loon- en kraanbedrijf toegestaan, omdat op het perceel meer bebouwing kan worden gerealiseerd voor het stallen van materieel.


In het plan is voorts niet bepaald welk deel van het perceel voor de schapenhouderij gebruikt mag worden en welk deel voor het loon- en kraanbedrijf. Uit artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder e, van de planregels volgt, anders dan de raad stelt, niet dat het gebruik als loon- en kraanbedrijf ondergeschikt moet zijn aan het agrarische gebruik. In dit artikellid is bepaald dat het agrarisch bedrijf kan worden uitgeoefend in combinatie met een loon- en kraanbedrijf. Uit de woorden "in combinatie met" kan niet worden afgeleid dat dit gebruik ondergeschikt moet zijn aan het agrarische bedrijf en uit de aan de gronden toegekende bestemming "Agrarisch" volgt dit evenmin, met dien verstande dat een loon- en kraanbedrijf uitsluitend is toegestaan indien op het perceel een agrarisch bedrijf met een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering wordt uitgeoefend.


Anders dan de raad stelt en heeft beoogd, voorziet het plan derhalve niet enkel in een maatbestemming van het bestaande legale gebruik en de bestaande legale bebouwing met beperkte uitbreidingsmogelijkheden. Daarnaast heeft de raad in het kader van de voorbereiding van het plan niet inzichtelijk gemaakt wat de te verwachten gevolgen voor de omgeving zijn als gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheden die het plan biedt, zoals hiervoor is omschreven. Het bestreden besluit is in zoverre vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb en berust in zoverre niet op een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 3:46 van de Awb.

Met deze tussenuitspraak heeft de AbRvS de raad van de gemeente Franekeradeel (thans: Waadhoeke) in de gelegenheid gesteld om de geconstateerde zorgvuldigheids- en motiveringsgebreken voor wat betreft voormeld bestemmingsplan te herstellen.



15.3.2.
De rechtbank stelt vast dat verweerder in verband met de ruimtelijke inpassing aan de hand van een geluidsrapportage bij besluit van 28 april 2015 aan eiseres sub 1 een omgevingsvergunning voor de bouw van een loods op voormeld perceel te [plaats] heeft verleend. Verder stelt de rechtbank vast dat de raad op basis van deze door verweerder verleende omgevingsvergunning het bestemmingsplan “Buitengebied 2013” gewijzigd heeft vastgesteld. Uit de uitspraak van 16 maart 2016 van de AbRvS, kenbaar uit ECLI:NL:RVS: 2016:736 (r.o. 7.1.), leidt de rechtbank af dat de Afdeling van oordeel is dat, indien en voor zover deze omgevingsvergunning gebruikt en nageleefd wordt, er dan sprake is van het op juiste wijze ruimtelijk inpassen van het bedrijf van eiseres sub 1 op voormeld perceel te Tzummarum. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de enkele stelling van verweerder dat in dit geval uitsluitend de planregels van voormeld bestemmingsplan bepalend zijn, zonder daarbij de omgevingsvergunning en de daaraan verbonden voorschriften te betrekken, geen stand kan houden. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de planregels van voormeld bestemmingsplan alleen kunnen worden begrepen met inachtneming van de onderliggende, verleende omgevingsvergunning (vgl. AbRvS, 16 maart 2016, ECLI:NL: RVS:2016:736). In dit verband stelt de rechtbank verder vast dat eiseres sub 1 om haar moverende redenen geen gebruik heeft gemaakt van de aan haar verleende omgevings-vergunning en dat de vorenbedoelde loods op voormeld perceel te [plaats] niet is gerealiseerd. Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich dat eiseres sub 1 in strijd met het bestemmingsplan heeft gehandeld, aangezien de voor een juiste ruimtelijke inpassing van de bedrijfsvoering noodzakelijke loods niet is gebouwd, zodat het bedrijf van eiseres sub 1 zich niet kan houden aan de normen die op grond van voormeld bestemmingsplan worden verondersteld te gelden. Het feit dat verweerder desgevraagd heeft besloten tot intrekking van de aan eiseres sub 1 bij besluit van 28 april 2015 verleende omgevingsvergunning voor de bouw van een loods, maakt dit niet anders. Uit de voorgaande overwegingen volgt dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake was van een overtreding, zodat er geen bevoegdheid bestond om handhavend op te treden. De rechtbank constateert dat er in zoverre een zorgvuldigheidsgebrek, als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb, en een motiveringsgebrek, als bedoeld in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb kleven aan het bestreden besluit II van verweerder. Deze grond van eisers sub 4 slaagt. Om die reden is het beroep van eiseres gegrond en komt het bestreden besluit II in zoverre voor vernietiging in aanmerking.


Handhavingsverzoek gebruik schapenstal

16. Tussen partijen is in geschil of verweerder terecht het handhavingsverzoek van eisers sub 4 voor wat betreft het gebruik van de schapenstal heeft afgewezen. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.




16.1.
Eisers sub 4 betogen dat verweerder over controlerapporten beschikt waaruit blijkt dat wel degelijk machines in de loods staan en dat een werkplaats in de stal is gevestigd. Dat was voor verweerder in de visie van eisers sub 4 om onduidelijke redenen, geen reden om te handhaven. Naar aanleiding van de verzoeken om handhaving zijn, na verloop van lange tijd, volgens eisers sub 4 weer controles uitgevoerd. Op het moment van de controle is het illegale materiaal weer weggehaald. Om na de controle weer teruggeplaatst te worden. Naar de mening van eisers sub 4 heeft verweerder er blijkbaar geen belang bij dat het bedrijfsperceel wordt gebruikt conform de vergunning, nu op geen enkele manier blijkt dat verweerder op een accurate en objectieve wijze onderzoek verricht. Van een zorgvuldige wijze is in ieder geval geen sprake, aldus eisers sub 4.



16.2.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat het handhavingsverzoek van eisers sub 4 in zoverre terecht is afgewezen. Voor zover eisers sub 4 in beroep stellen dat het illegale materiaal zou worden weggehaald op het moment van de controles en hierna weer wordt teruggeplaatst, staat daarmee in de visie van verweerder niet ter discussie dat verweerder toezicht houdt op het bedrijf van eiseres sub 1. Als er door of namens verweerder in het kader van dat toezicht geen overtredingen worden geconstateerd, is er ook geen grond om handhavend te kunnen optreden. Verweerder kan bij die constatering dan ook niet anders dan het handhavingsverzoek afwijzen.



16.3.
Voor zover het handhavingsverzoek van eisers sub 4 betrekking heeft op het gebruik van de schapenstal, overweegt de rechtbank dat verweerder er geen blijk van heeft gegeven kennis te hebben van de geldende normen ten tijde van het bestreden besluit II. Evenmin heeft verweerder inzichtelijk gemaakt welke normen van toepassing zijn ten tijde van het bestreden besluit II. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de door eiseres sub 1 ingediende milieumelding uitgaat van de te bouwen loods op grond van de verleende omgevingsvergunning bij besluit van 28 april 2015, terwijl die loods niet is gebouwd. Hoewel de verleende omgevingsvergunning niet strekt tot een bouwverplichting van de bedoelde loods, heeft het feit dat die loods niet is gebouwd wel consequenties voor de normen die van toepassing zijn op de bedrijfsvoering van het bedrijf van eiseres sub 1. In dit verband wijst de rechtbank erop dat zij, onder meer vanwege het gebrekkig aanleveren van de van belang zijnde gedingstukken door verweerder, geen inzicht heeft verkregen in de toepasselijke vergunningen en meldingen, zodat de rechtbank niet kan beoordelen of en in hoeverre het bedrijf van eiseres sub 1 zich houdt en kan houden aan de van toepassing zijnde normen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat ook in zoverre een zorgvuldigheids-gebrek, als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb, en een motiveringsgebrek, als bedoeld in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, kleven aan het bestreden besluit II. Deze grond van eisers sub 4 slaagt. Om die reden is het beroep van eiseres gegrond en komt het bestreden besluit II in zoverre voor vernietiging in aanmerking.


Handhavingsverzoek zeecontainers

17. Tussen partijen is in geschil of verweerder terecht het handhavingsverzoek van eisers sub 4 voor wat betreft het plaatsen van zeecontainers heeft afgewezen. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.



17.1.
Eisers sub 4 betogen dat het verzoek om handhaving van de zeecontainers indertijd is ingediend, omdat deze containers buiten het bouwvlak, op grond van SBB, waren ge-plaatst. Door het verplaatsen van deze containers naar een strook grond, die formeel niet bij het bedrijf hoort, vergroot eiseres sub 1 in de visie van eisers sub 4 zijn perceel voor overige bedrijfsactiviteiten. Met als gevolg dat de overlast volgens eisers sub 4 nog meer vergroot wordt. Naar aanleiding van het verzoek om handhaving zijn de zeecontainers verplaatst naar het bouwblok. Echter niet om daar permanent gestald te worden, aldus eisers sub 4. In de maand mei 2019 stond de zeecontainer weer op de bosgrond. En een caravan. Dit is opnieuw
gemeld. Verweerder heeft vervolgens volgens eisers sub 4 weliswaar toegezegd dat een toezichthouder een controle zou gaan uitvoeren, maar de uitkomst van deze controle is niet bekend gemaakt. Feit is dat de caravan inmiddels is verplaatst, terwijl de zeecontainer nog steeds op de bosgrond staat. Hoewel zeer regelmatig voormeld perceel wordt bezocht door gemeenteambtenaren en zelfs de wethouder, is het nog niet bij verweerder opgekomen om tot handhaving over te gaan, aldus eiseres sub 4. Het spreekt voor zich dat het voor eisers sub 4 niet zinvol is om opnieuw een verzoek om handhaving in te dienen. Op grond van de zorg-vuldigheid, die van een goed bestuurder verwacht mag worden, mocht volgens eisers sub 4 verwacht worden dat verweerder na de constatering dat de zeecontainer opnieuw naar het bosperceel was verplaatst, alsnog zou gaan handhaven. In tegenstelling tot hetgeen verweerder opmerkt in het bestreden besluit is een nadere motivering, met een toelichting waarom niet aan het verzoek om handhaving tegemoet wordt gekomen, wel degelijk op zijn plaats.


17.2.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat bij de namens verweerder gedane bezoeken aan het bedrijf van eiseres sub 1 niet is gebleken van een geplaatste zeecontainer in de bewuste strook grond, terwijl verweerder gemotiveerd heeft gesteld dat een zeecontainer op het perceel van eiseres sub 1 niet vergunningplichtig is. Dat laatste oordeel wordt volgens verweerder ook niet bestreden in beroep, aangezien er slechts wordt gesteld dat het bestreden besluit II nader had moeten worden gemotiveerd. In dit verband wijst verweerder erop dat voor de motivering in zoverre is verwezen naar het advies van de commissie. Naar de mening van verweerder is het bestreden besluit II daarmee in zoverre ook deugdelijk ge-motiveerd.



17.3.
Ingevolge artikel 2, derde lid, aanhef en onder b, van bijlage II van het Bor is een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of c, van de wet is niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op: een op de grond staand bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan in achtererfgebied, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: voor zover op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw:
1. indien hoger dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule:
maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3;
2. functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het betreft huisvesting in verband met mantelzorg.



17.4.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich, voor zover er nog sprake is van het plaatsen van zeecontainers in de door eisers sub 4 bedoelde strook grond, terecht op het standpunt gesteld dat het plaatsen van zeecontainers in dit geval omgevingsvergunning-vrij is, gelet op het bepaalde in artikel 2, derde lid, aanhef en onder b, van bijlage II van het Bor. In dit verband heeft verweerder zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat het plaatsen van de zeecontainers in de bewuste strook grond omgevingsvergunningvrij is, aangezien het gaat om een bijbehorend bouwwerk in het achtererfgebied. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers sub 4 niet aannemelijk gemaakt dat voor wat betreft het plaatsen van de zeecontainers niet is voldaan aan de gestelde voorwaarden, als bedoeld in artikel 2, derde lid, aanhef en onder b, van bijlage II van het Bor. Hieruit volgt dat er voor wat betreft het plaatsen van de zeecontainers in de bewuste strook grond geen sprake is van een overtreding van een wettelijk voorschrift, zodat verweerder zich terecht niet bevoegd heeft geacht om in die zin handhavend op te treden jegens eiseres sub 1. Deze grond van eisers sub 4 slaagt niet.



17.5.
De rechtbank stelt vast dat dit handhavingsverzoek voor wat betreft de plaatsing van de zeecontainers niet alleen betrekking heeft op een goede ruimtelijke ordening maar ook op het milieuaspect. Met betrekking tot het milieuaspect wijst de rechtbank erop dat verweerder in dit geval niet inzichtelijk heeft gemaakt of voormelde zeecontainers al dan niet buiten de grenzen van de inrichting zijn geplaatst en welke milieunorm dan van toepassing is. Indien de conclusie van verweerder zou zijn dat voormelde zeecontainers buiten de grenzen van de inrichting zijn geplaatst en om die reden niet tot de inrichting behoren, dan is in dit geval niet inzichtelijk gemaakt door verweerder of en in hoeverre mogelijk andere toepasselijke normen zijn overtreden. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat er ook in zoverre een zorgvuldigheids- en een motiveringsgebrek kleven aan het bestreden besluit II van verweerder. Dit brengt met zich dat het bestreden besluit II in strijd met artikel 3:2 van de Awb en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb tot stand is gekomen. Deze grond van eisers sub 4 slaagt.


Tussenconclusie



17.6.
Gelet op de rechtsoverwegingen 15.3.2., 16.3. en 17.5. is het beroep van eisers sub 4 gegrond en komt het bestreden besluit II in zoverre voor vernietiging in aanmerking. Aangezien het beroep van eisers sub 4 gegrond wordt verklaard, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder ingevolge artikel 8:75 van de Awb in de proceskosten van eisers sub 4 te veroordelen. Onder toepassing van het Bpb kunnen deze kosten worden begroot op € 759,-- (beroepschrift één punt; waarde per punt € 759,--; gewicht van de zaken: gemiddeld) in verband met door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Verder ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat verweerder het door eisers sub 4 betaalde griffierecht ad € 174,-aan hen dient te vergoeden.


LEE 21/3563


Ten aanzien van de afwijzing van het (afzonderlijke) handhavingsverzoek van eisers sub 4

18. Tussen partijen is in geschil of verweerder het handhavingsverzoek van eisers sub 4 met betrekking tot de gestelde ondervonden overlast van de bedrijfsvoering van het bedrijf van eiseres sub 1 terecht heeft afgewezen. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

19. De rechtbank stelt vast dat de gronden van beroep van eisers sub 4 betrekking hebben op de navolgende aspecten:
- schending van het fair play-beginsel;
- onzorgvuldige besluitvorming;
- geluidsoverlast vanwege maaiwerkzaamheden.
Het komt de rechtbank aangewezen voor om deze gronden van beroep afzonderlijk inhoudelijk te beoordelen.


Schending fair play-beginsel

20. Ten aanzien van de gestelde schending van het fair play-beginsel overweegt de rechtbank als volgt.



20.1.
Eisers betogen dat ondanks het klemmende verzoek om de dagelijkse gang van zaken op een zorgvuldige en deugdelijke wijze in kaart te brengen, verweerder, net als bij de vorige verzoeken om handhaving en verzoeken om een geluidsmeting, opnieuw het bedrijf van eiseres sub 1 op de hoogte heeft gesteld van dit verzoek en de daaruit voortvloeiende controles. In de periode die volgde op het verzoek was volgens eisers sub 4 al vrij snel merk-baar dat een controle is aangekondigd omdat het gebruik van het terrein werd geminimali-seerd. In dit verband wijzen eisers sub 4 erop dat de bedrijven die doorgaans hun rijdend materieel stallen, hun goederen opslaan en op het terrein laad- en loswerkzaamheden ver-richten, tijdens de periode van onderzoek niet meer zijn gesignaleerd. Deze veranderingen zijn, zoals blijkt uit de vorige periodes waarin naar aanleiding van een handhavingsverzoek de situatie tijdelijk werd aangepast, volgens eisers sub 4 niet van blijvende aard. Na de periodes van betrekkelijke rust vanwege controles, wordt het hele perceel weer optimaal benut met alle gevolgen voor de woonomgeving van eisers sub 4 van dien. Dat de eigenaar van het bedrijf op de hoogte is gesteld van de inhoud van en de toelichting op het verzoek om handhaving, blijkt in de visie van eisers sub 4 uit het feit dat ditmaal al het rijdend materieel massaal naar het adres aan de Hoarnestreek 8 is verplaatst, zoals naar aanleiding van de vorige verzoeken stelselmatig is gebeurd. Het perceel aan de Hoarnestreek 8 heeft volgens eisers sub 4 een agrarische bestemming. Ondanks de wetenschap dat de bedrijfs-activiteiten niet zijn toegelaten op dat perceel heeft de eigenaar het perceel geschikt gemaakt voor de plaatsing van zwaar materieel en heeft zonder vergunning een uitrit gerealiseerd. Ook dit wordt volgens eisers sub 4 door verweerder oogluikend toegestaan. Dit ‘wegkijken’ bevestigt in de visie van eisers sub 4 dat verweerder het bedrijf alle ruimte geeft om illegaal uit te breiden. De belangen van derden, waaronder die van eisers sub 4, worden botweg genegeerd. In dit verband wijzen eisers sub 4 erop dat verweerder heeft geweigerd om door hen vervaardigd beeldmateriaal met betrekking tot de situatie op het bedrijfsterrein van eiseres sub 1 op voormeld perceel te Tzummarum aan te nemen en te bekijken. Door het bedrijf van eiseres sub 4 ruim twee maanden de kans te geven maatregelen te nemen is het onmogelijk een objectief en deugdelijk onderzoek te laten uitvoeren, aldus eisers sub 4. Door wel conclusies te trekken uit de rapporten, terwijl verweerder weet dat een niet realistische situatie is beoordeeld, is in dit geval naar de mening van eisers sub 4 sprake van ernstige misleiding. Terwijl verweerder volgens eisers sub 4 heel goed bekend is met het intensieve gebruik van het perceel Kleasterwei 7. Ook door derden. Het bedrijf van eiseres sub 1 wordt, omdat verweerder al jaren de nek uitsteekt om de belangen van het bedrijf te behartigen regelmatig door ambtenaren of zelfs de wethouder bezocht, aldus eisers sub 4. De werk-zaamheden van het bedrijf, en de bedrijven die doorgaans ook bedrijfsmatig gebruik maken van het perceel, zijn volgens eisers sub 4 veelal in opdracht van de gemeente zelf. In de visie van eisers sub 4 weet verweerder dat door een verandering van de aard van de werkzaam-heden en de intensivering van het gebruik van het perceel de leefbaarheid voor de omwonenden steeds verder achteruit gaat. Desondanks heeft verweerder slechts oog voor de belangen van het bedrijf, aldus eisers sub 4. In dit verband wijzen eisers sub 4 erop dat de uitkomst van dit handhavingsverzoek dit opnieuw pijnlijk duidelijk maakt. Daarbij achten eisers sub 4 van belang dat verweerder door de uitkomst van een onderzoek te beïnvloeden, niet handelt zoals van een goed bestuurder verwacht mag worden. Naar de mening van eisers sub 4 is het bestreden besluit in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur tot stand gekomen, waaronder het fair play-beginsel.



20.2.
Verweerder stelt zich op het standpunt zich geenszins te herkennen in het door eisers sub 4 geschetste beeld. In dit verband wijst verweerder erop dat er meermaals en op wisselende tijden zowel aangekondigd als onaangekondigd toezicht is gehouden op het gebruik van het perceel van eiseres sub 1, zoals ook blijkt uit de diverse controleverslagen. Juist door die combinatie heeft verweerder er in zijn visie alles aan gedaan om zich een zo goed mogelijk beeld te vormen over het gebruik van de gronden. Als er geen overtreding wordt geconstateerd, kan het volgens verweerder beslist nog zo zijn dat eisers sub 4 overlast ervaren van eiseres sub 1. Daar heeft verweerder begrip voor, maar verweerder kan dit belang pas in zijn afweging betrekken, indien er een overtreding in de zin van de Awb wordt geconstateerd. In dit kader acht verweerder van belang dat een eventuele overtreding op het perceel aan de Hoarnestreek 8 te Oosterbierum buiten het gedane handhavingsverzoek valt. Desalniettemin heeft verweerder toegezegd in het kader van de algemene handhavings-bevoegdheid een controle uit te zullen voeren op (het gebruik van) dit perceel. In dat kader is verweerder niet bekend met een overtreding op dat perceel, zodat van het oogluikend toe-laten hiervan zeker geen sprake is. Voor zover eisers sub 4 stellen over beelden te beschik-ken, wijst verweerder erop dat dit beeldmateriaal nimmer door hen aan verweerder is ver-strekt. Daarin verschilt deze zaak volgens verweerder ook van de zaak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van 18 april 2018, waarop zij een beroep doen. Zouden de beelden zijn verstrekt, dan zou verweerder die hebben beoordeeld om te bepalen om die voldoende aanknopingspunten bieden om (nader) onderzoek in te stellen naar een eventuele overtreding. Maar ook zonder dit beeldmateriaal heeft verweerder in zijn visie uitvoerig onderzoek gedaan en toezicht gehouden op het bedrijf van eisers sub 4. Kortom: verweerder ziet niet in waarom het bestreden besluit III in strijd is met het fair play-beginsel en dat verweerder met recht een gebrek aan integriteit valt te verwijten.



20.3.
De rechtbank stelt vast dat uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat door verweerder niet langer wordt ontkend dat eisers sub 4 beeldmateriaal voor wat betreft het gebruik door eiseres sub 1 van voormeld perceel te Tzummarum hebben aangeboden. Indien verweerder voornemens is om het handhavingsverzoek van eisers sub 4 af te wijzen, brengt het op hem rustende zorgvuldigheidsbeginsel naar het oordeel van de rechtbank met zich dat het op zijn weg ligt om kennis te nemen van het aangeboden beeldmateriaal. Los van de vraag of met dit beeldmateriaal de gestelde overtreding van wettelijke voorschriften wordt bewezen, lag het op de weg van verweerder om dit aanbod van eisers sub 4 te accepteren. Het enkele feit dat ten tijde van de uitgevoerde controles, naar gesteld, geen overtredingen werden geconstateerd door de toezichthouders maakt niet dat verweerder het aangeboden beeldmateriaal niet hoefde te bekijken. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder geen inzicht heeft verschaft welke normen in het kader van het ruimtelijke spoor en in het milieuspoor op de bedrijfsvoering van het bedrijf van eiseres sub 1 van toepassing zijn. Hieruit volgt dat de afwijzing van het handhavingsverzoek van eisers sub 4 bij het bestreden besluit III op een ondeugdelijke motivering berust. Dit brengt strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb met zich. Deze grond van eisers sub 4 slaagt. Om die reden is het beroep van eisers sub 4 gegrond en komt het bestreden besluit III van verweerder in zoverre voor vernietiging in aanmerking.


Onzorgvuldige besluitvorming

21. Ten aanzien van de gestelde onzorgvuldige besluitvorming overweegt de rechtbank als volgt.



21.1.
Eisers sub 4 betogen dat de controleonderzoeken niet op een deugdelijke en zorg-vuldige wijze zijn uitgevoerd omdat de controleurs een ‘aangepaste’ bedrijfssituatie aan-treffen. Aangezien het aanwezige materieel en de voertuigen doorgaans ’s morgens ver-trekken om elders te worden ingezet, zal een controle overdag in de visie van eisers sub 4 niet snel tot de vaststelling van een overtreding leiden. In dit verband wijzen eisers sub 4 erop dat de overlast en overtredingen vinden veelal voor 7 uur in de ochtend, s’avonds en op de zaterdagen plaatsvinden. Dit zijn volgens eisers sub 4 de momenten dat het bedrijf vol in
bedrijf is. Aan de hand van de overgelegde rapportages lichten eisers sub 4 hun standpunt toe, waarbij het in zijn algemeenheid opmerkelijk is hoe de controleurs het onderzoek uitvoeren en op welke wijze overtredingen worden gesignaleerd. In dit verband wijzen eisers sub 4 op de navolgende voorbeelden:
- een gebouw, zoals de zeecontainer buiten het bouwvlak en deels op de bestemming “Bos” zal alleen door deze toezichthouder worden geconstateerd als hier sprake is van een milieuovertreding;
- een controle door de FUMO noemt verweerder aanvankelijk een integrale controle van de gehele bedrijfsvoering, terwijl de opdracht aan de FUMO is om slechts een milieucontrole uit te voeren;
- de silo wordt al een aantal jaren gebruikt voor de opslag van mest zonder ooit effectief toe te zien of dit gebruik in overeenstemming met de wet;
- de mobiele tank is eigendom van aannemersbedrijf Faber, een bedrijf dat doorgaans en aantoonbaar gebruik maakt van het perceel van eiseres sub 1 voor het stallen van rijdend materieel en de opslag en het overladen van goederen die veelal gebruikt worden in de wegenbouw;
- de aanwezige vaste dieseltank voldoet volgens de rapportages niet aan de milieu- voorschriften. (De controleur is in de veronderstelling dat de tank in de te bouwen loods wordt geplaatst. De onderzoeker is blijkbaar niet geïnformeerd over het intrekken van de vergunning en verweerder zwijgt hierover in de beoordeling van de rapporten).;
- het wassen van voertuigen en werktuigen wordt niet gesignaleerd. Dit was, tot het moment dat de reiniger defect raakte, een wekelijks ritueel op de zaterdag (de opmerking in de rapportage dat de voertuigen doorgaans slechts twee keer per jaar werden gewassen of dat alleen de ramen worden gewassen is aantoonbaar onjuist).
Het is verweerder bekend dat deze werkzaamheden veel overlast veroorzaakten. Het is ook niet juist dat de machines werden schoongespoten op de daarvoor aangewezen spuitplaat zoals in de rapportage van 4 juni is vermeld, en het afvalwater via het riool werd afgevoerd. Herhaalde malen is hierover een klacht ingediend omdat de werk- zaamheden de gevel van de woningen aan de andere zijde van het perceel be- smeurden en de sloot van het aangrenzende perceel vervuilden. Het spoelwater kwam uiteindelijk terecht in de sloot van het aangrenzende perceel. Aan de hand van beeldmateriaal kan aangetoond worden dat op uitgebreide schaal bedrijfsmaterieel werd schoongemaakt en dat hierover een onjuiste verklaring is afgelegd. Verweerder is wel degelijk bekend met deze werkzaamheden maar heeft nimmer uit eigen beweging opgetreden tegen dit milieudelict;
- . de gemeentelijke toezichthouder parkeerde bij het uitvoeren van een geluidscontrole de dienstauto op een locatie die gelegen is langs de toegangsweg naar het bedrijf en vanaf het bedrijfsterrein tamelijk goed zichtbaar is. Elk personeelslid is bekend met de controles en heeft de controleur die dag waargenomen bij het betreden van het terrein. Dit beïnvloedt met zekerheid gedragingen en de werkzaamheden die op het perceel worden uitgevoerd;
- geen van de toezichthouders heeft bij de controle van het perceel gesignaleerd dat een container is opgesteld buiten het bouwvlak van het perceel met de bestemming “Bos”. Ook is niet geconstateerd dat de sleufsilo’s buiten het bouwvlak zijn ge- realiseerd. Eveneens deels op bosgrond. Dat een deel van deze overtreding onder de rechter is neemt niet weg dat hier sprake is van en overtreding die niet onbenoemd gelaten mag worden;
- de toezichthouder heeft eveneens niet gecontroleerd of het bedrijf in werking is zoals dit is omschreven in de melding Activiteitenbesluit. De melding AB beschrijft namelijk dat een deel van de machines in een loods zijn ondergebracht. Deze loods is nimmer gebouwd en de vergunning is inmiddels ook ingetrokken. Een zorgvuldig onderzoek zou hebben uitgewezen dat de melding niet overeenkomt met de bedrijfsvoering ter plaatse. Het geluidsonderzoek dat bij deze melding is gevoegd is om die reden ook achterhaald. Althans komt niet overeen met de feitelijke situatie. Nu deze melding AB niet overeen blijkt te komen met de feitelijke situatie is ook het toen uitgevoerde geluidsonderzoek van generlei waarde nu de aanwezige machines niet in een nieuwe loods staan maar in de open lucht op het achterterrein, zonder enige afscherming richting de omgeving;
- De schapenstal is niet in gebruik als schapenstal maar als werkplaats en stallings- ruimte. Ook hier is sprake van een andere geluidsbelasting dan is voorgespiegeld in de melding;
- Voorts is het opvallend dat bij een controlerapport geen foto’s zijn bijgevoegd, terwijl op de dag van de controle wel een groot aantal voertuigen aanwezig is. Ook daaruit leiden eisers sub 4 af dat de onderzoeksrapportages niet op een zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen naast het feit dat vanwege de wijzigingen die het bedrijf tijdelijk heeft doorgevoerd na 23 maart 2021 de rapportages gekleurd en daarom van weinig betekenis zijn;
- Eisers sub 4 verbazen zich over het feit dat in het onderzoek niet is betrokken dat de schapenhouderij in geheel buiten beschouwing is gelaten. Verweerder heeft bepaald dat de schapenhouderij nevengeschikt is en dit agrarische gebruik ertoe leidt dat het loon- en kraanverhuurbedrijf op deze locatie in het buitengebied gevestigd mocht worden. Nu van nevengeschiktheid geen sprake meer is, dient geconcludeerd te worden dat het bedrijf om die reden niet meer in overeenstemming is met het bestemmingsplan.



21.2.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat een controle representatief is als die (ook) onaangekondigd plaats heeft gevonden, op een moment waarop de overtreding plaats heeft kunnen vinden, waarbij het aantal controlemomenten in een redelijke verhouding dient te staan tot het karakter van de overtreding en de mate van de vermeende hinder, ook in relatie tot de inspanning die een extra controle vergt van de toezichthouder, zo valt uit de juris-prudentie (zie AbRvS, 1 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1542) ter zake af te leiden. In de visie van verweerder is dit kader gehanteerd en toegepast. In dit verband wijst verweerder erop dat er onaangekondigde controles zijn gehouden op verschillende momenten van de dag. Ondanks meerdere vermeende overtredingen, is geen hiervan geconstateerd, aldus verweerder. Aangezien de controles zijn uitgevoerd conform de eisen die hieraan op grond van de jurisprudentie worden gesteld, is verweerder van mening dat geen sprake kan zijn van een onzorgvuldige voorbereiding van het bestreden besluit III.



21.3.
Uit vaste jurisprudentie van de AbRvS, onder meer kenbaar uit ECLI:NL:RVS:2020: 1542, volgt dat hoewel niet in elke zaak van een bestuursorgaan wordt verwacht dat het naar aanleiding van een handhavingsverzoek elke dag controleert, het wel vereist is dat het aantal controles representatief is en dat de wijze van toezichthouden die door een bestuursorgaan wordt gekozen, deugdelijk is.
Verder volgt uit vaste jurisprudentie van de AbRvS, onder meer kenbaar uit ECLI:NL:RVS: 2021:2513, dat het uitvoeren van twee controles op twee verschillende tijdstippen in het jaar in beginsel voldoende is om, aan de hand van de verzoeken om handhaving, te verifiëren of de vergunning van de inrichting wordt nageleefd. Deze controles kunnen, afhankelijk van de activiteiten die worden gecontroleerd, zowel onverwacht als aangekondigd plaatsvinden. Dit neemt niet weg dat de controles een relatie moeten houden met de activiteiten en hinder die in de verzoeken om handhavend op te treden staan vermeld. Daarbij bestaat de mogelijkheid om te vragen om administratieve gegevens. Aan de andere kant moeten de verzoeken om handhavend op te treden voldoende specifiek zijn.



21.4.
Uit rechtsoverweging 16.3. volgt dat de eerder verleende omgevingsvergunning voor de bouw van een loods op voormeld perceel te Tzummarum desgevraagd is ingetrokken door verweerder. Verder volgt uit die rechtsoverweging dat deze loods niet is gebouwd door eiseres sub 1, terwijl de aanwezigheid van de bedoelde loods het uitgangspunt is voor de ingediende milieumelding. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank door verweerder niet inzichtelijk gemaakt welke normen van toepassing zijn op de bedrijfsvoering van het bedrijf van eiseres sub1. Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich dat het bestreden besluit III van verweerder onzorgvuldig tot stand is gekomen, hetgeen strijd met het bepaalde in artikel 3:2 van de Awb oplevert, en op een ondeugdelijke motivering berust, hetgeen strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb oplevert. Deze grond van eisers sub 4 slaagt. Om die reden is het beroep van eisers sub 4 gegrond en komt het bestreden besluit III van verweerder in zoverre voor vernietiging in aanmerking.

Geluidsoverlast vanwege maaiwerkzaamheden

22. Ten aanzien van de gestelde geluidsoverlast vanwege maaiwerkzaamheden overweegt de rechtbank als volgt.



22.1.
Eisers sub 4 betogen dat het feit dat de bedrijfsvoering momenteel is aangepast vanwege de onderhavige handhavingsprocedure, niet betekent dat er geen sprake is van geluidsoverlast. In dit verband wijzen eisers sub 4 erop dat er momenteel twee keer per week met een bosmaaier en een zitmaaier het terrein en talud aan de waterkant wordt gemaaid. Deze, tamelijk veel decibellen producerende werkzaamheden, nemen volgens eisers sub 4 telkens vier uur in beslag. Er wordt zelfs intensief gemaaid in een periode waarin het gras nauwelijks groeit, aldus eisers sub 4. En dat, terwijl het bedrijf beschikt over een klepel-maaier waarmee deze werkzaamheden in de visie van eisers sub 4 aanmerkelijk sneller en in zeer korte tijd en met aanzienlijk minder geluidsoverlast verricht kunnen worden.


22.2.
De rechtbank stelt vast dat het handhavingsverzoek van eisers sub 4 in zoverre betrekking heeft op de gestelde geluidsoverlast vanwege het maaien van het talud aan de waterkant met een bos- en een zitmaaier door eiseres sub 1. Verder stelt de rechtbank vast dat de verleende omgevingsvergunningen en voormeld bestemmingsplan geen betrekking hebben op dit stuk van het terrein van het bedrijf van eiseres sub 1. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het maaien van het talud aan de waterkant niet onlosmakelijk is verbonden met het gebruik van de grond door het bedrijf van eiseres sub 1. Verder is de vraag of het maaien van het talud aan de waterkant onderdeel uitmaakt van de represen-tatieve bedrijfssituatie van de inrichting van eiseres sub 1 op voormeld perceel te Tzum-marum. Hieruit volgt dat de hiervoor bedoelde maaiwerkzaamheden niet zonder meer in dit kader kunnen worden beoordeeld. Dat laat overigens onverlet dat verweerder in dit geval niet heeft onderzocht of en in hoeverre door de hiervoor bedoelde werkzaamheden mogelijk andere toepasselijke normen zijn overtreden. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat er ook in zoverre een zorgvuldigheids- en een motiveringsgebrek kleven aan het bestreden besluit III van verweerder. Dit brengt met zich dat het bestreden besluit III in strijd met artikel 3:2 van de Awb en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb tot stand is gekomen. Deze grond van eisers sub 4 slaagt. Om die reden is het beroep van eisers sub 4 gegrond en komt het bestreden besluit III van verweerder in zoverre voor vernietiging in aanmerking.


Tussenconclusie

23. Gelet op de rechtsoverwegingen 20.3., 21.4. en 22.2. is het beroep van eisers sub 4, voor zover het gericht is tegen het bestreden besluit III, gegrond en komt dit bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien of om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit III in stand blijven. Daarom wordt volstaan met de opdracht aan verweerder om opnieuw te beslissen op dit handhavingsverzoek van eisers sub 4, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.
Aangezien het beroep van eisers sub 4 gegrond wordt verklaard, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder ingevolge artikel 8:75 van de Awb in de proceskosten van eisers sub 4 te veroordelen. Onder toepassing van het Bpb kunnen deze kosten worden begroot op € 759,-- (beroepschrift één punt; waarde per punt € 759,--; gewicht van de zaken: gemiddeld) in verband met door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Verder ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat verweerder het door eisers sub 4 betaalde griffierecht ad € 181,-aan hen dient te vergoeden.




Conclusie



Ten aanzien van het verlenen van de omgevingsvergunning

24. Nu eiseres sub 1 ten tijde van de aanvraag om omgevingsvergunning en het primaire besluit I geen eigenaresse was van de grond waarop de aanvraag betrekking heeft en eiseres sub 2 als eigenaresse van die grond zich tegen de bebouwing daarvan is blijven verzetten, heeft verweerder de aanvraag om omgevingsvergunning naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte in behandeling genomen. Het had in de rede gelegen dat verweerder voormelde aanvraag om omgevingsvergunning van eiseres sub 1 om die reden buiten behandeling had gesteld. Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich dat verweerder bij het bestreden besluit I de bezwaren van eiseres sub 2 ten onrechte ongegrond heeft verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder de bezwaren van eiseres sub 2, gericht tegen het primaire besluit I, gegrond dienen te verklaren, dat besluit dienen te herroepen en de aanvraag om omgevingsvergunning alsnog buiten behandeling dienen te stellen. Om die reden is het beroep van eiseres sub 2 gegrond en komt het bestreden besluit I voor vernietiging in aanmerking.
De rechtbank stelt vast dat verweerder in het kader van het verlenen van een omgevingsvergunning voor het strijdige gebruik toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten tweede, van de Wabo, in samenhang gelezen met artikel 4, derde lid, van bijlage II van het Bor. Bij de gebruikmaking van de aan hem toekomende bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan dient verweerder bij de toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten tweede van de Wabo te beoordelen of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening en dient verweerder de betrokken belangen af te wegen. In dat verband overweegt de rechtbank dat verweerder de milieugevolgen en de gevolgen voor een goed woon- en leefklimaat van de omwonenden vanwege het strijdige gebruik ten behoeve van de te legaliseren sleufsilo’s ontoereikend in kaart heeft gebracht en daardoor onvoldoende in de beoordeling heeft betrokken. Dit brengt met zich dat aan het bestreden besluit I ook in zoverre een zorgvuldigheidsgebrek en een motiveringsgebrek kleven. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat als gevolg van voormelde gebreken ook een deugdelijke motivering van de door verweerder te verrichten belangenafweging in het bestreden besluit I ontbreekt. Deze grond van eiseres sub 3 slaagt. Om die reden is het beroep van eiseres sub 3 gegrond en komt het bestreden besluit I ook in zoverre voor vernietiging in aanmerking.
Uit rechtsoverweging 4.4. volgt dat de rechtbank van oordeel is dat verweerder ten onrechte de aanvraag om omgevingsvergunning in behandeling heeft genomen. Het had in de rede gelegen dat verweerder voormelde aanvraag om omgevingsvergunning van eiseres sub 1 om die reden buiten behandeling had gesteld. In hetgeen verweerder naar voren heeft gebracht, ziet de rechtbank geen aanleiding om daar thans anders over te oordelen. Dit brengt met zich dat de grond van eisers sub 4 slaagt. Om die reden is het beroep van eisers sub 4 gegrond en komt het bestreden besluit I ook in zoverre voor vernietiging in aanmerking.


Ten aanzien van de verzoeken om handhaving

25. Uit rechtsoverweging 3.5. volgt dat de rechtbank van oordeel is dat het beroep van eiseres sub 1 ongegrond is. Dit betekent dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres sub 3 en eisers sub 4 ontvankelijk zijn in hun verzoeken om handhaving jegens het bedrijf van eiseres sub 1.
Uit rechtsoverweging 13.3 volgt dat de rechtbank van oordeel is dat de sleufsilo in de strook grond met de bestemming “Bos” is vergund met een afwijkingsvergunning, maar dat die omgevingsvergunning, gelet op de rechtsoverwegingen 4.4., 8.3. en 11.3., voor vernietiging in aanmerking komt, waarbij het primaire besluit zal worden herroepen. Verder overweegt de rechtbank dat de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft erkend dat met de bij besluit van 28 april 2015 verleende omgevingsvergunning voor de bouw van een loods het strijdige gebruik van de strook grond met de bestemming “Bos” niet is opgeheven. Gelet daarop is er naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat er in dit geval sprake is van een concreet zicht op legalisatie, zodat verweerder in zoverre gehouden is om handhavend op te treden. Verder is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken van een nadere onderbouwing door middel van een akoestisch onderzoek en een daarop gebaseerd geluidsrapport waaruit blijkt dat het bedrijf van eiseres sub 1 met de huidige inrichting van het bedrijfsterrein voldoet aan de toepasselijke normen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat er een zorgvuldigheids- en een motiveringsgebrek kleven aan het bestreden besluit II en het daarvan deel uitmakende besluit van 10 september 2019. Hieruit volgt dat het bestreden besluit II en het daarvan deel uitmakende besluit van 10 september 2019 in strijd met het bepaalde in artikel 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb zijn genomen. Dit betekent dat deze grond van eiseres sub 3 slaagt. Om die reden is het beroep van eiseres sub 3 gegrond en komen het bestreden besluit II en het daarvan deel uitmakende besluit van 10 september 2019 in zoverre voor vernietiging in aanmerking. Dit betekent dat verweerder opnieuw dient te beslissen op de bezwaren van eiseres sub 3, voor zover die gericht zijn tegen het primaire besluit IV, inhoudende de afwijzing van het verzoek om handhavend op te treden jegens het bedrijf van eiseres sub 1 voor wat betreft het gebruik van de gronden ten oosten van voormeld perceel, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.
Uit rechtsoverweging 14.3 volgt dat de rechtbank van oordeel is dat de omgevings-vergunning voor de bouw van een loods bij besluit van 28 april 2015 is verleend onder de aanvullende voorwaarde van een instandhoudingsverplichting van de beplanting conform het beplantingsplan. Deze voorwaarde is, zoals verweerder terecht naar voren heeft gebracht, overgenomen in voormeld bestemmingsplan. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat de verplichting, voortvloeiend uit de verleende omgevingsvergunning, daarmee is komen te vervallen. Reeds om die reden heeft verweerder het daarop betrekking hebbende handhavingsverzoek van eiseres sub 3 ten onrechte afgewezen en die afwijzing bij het bestreden besluit II ten onrechte gehandhaafd. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder in beginsel gehouden was om de instandhoudingsverplichting van de beplanting op grond van het beplantingsplan te handhaven. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit II van verweerder onzorgvuldig tot stand is gekomen, hetgeen schending van artikel 3:2 van de Awb oplevert, en op een ondeugdelijke motivering berust, hetgeen schending van artikel 7:12, eerste lid, van de Awb oplevert. Deze grond van eiseres sub 3 slaagt. Om die reden is het beroep van eiseres sub 3 gegrond en komt het bestreden besluit II in zoverre voor vernietiging in aanmerking. Dit betekent dat verweerder opnieuw dient te beslissen op de bezwaren van eiseres sub 3, voor zover die gericht zijn tegen het primaire besluit II, inhoudende de afwijzing van het verzoek om handhavend op te treden jegens het bedrijf van eiseres sub 1 voor wat betreft het beplantingsplan, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.
Uit rechtsoverweging 15.3.2 volgt dat de rechtbank vaan oordeel is dat verweerder in verband met de ruimtelijke inpassing aan de hand van een geluidsrapportage bij besluit van 28 april 2015 aan eiseres sub 1 een omgevingsvergunning voor de bouw van een loods op voormeld perceel te Tzummarum heeft verleend. Verder stelt de rechtbank vast dat de raad op basis van deze door verweerder verleende omgevingsvergunning het bestemmingsplan “Buitengebied 2013” gewijzigd heeft vastgesteld. Uit de uitspraak van 16 maart 2016 van de AbRvS, kenbaar uit ECLI:NL:RVS: 2016:736 (r.o. 7.1.), leidt de rechtbank af dat de Afdeling van oordeel is dat, indien en voor zover deze omgevingsvergunning gebruikt en nageleefd wordt, er dan sprake is van het op juiste wijze ruimtelijk inpassen van het bedrijf van eiseres sub 1 op voormeld perceel te Tzummarum. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de enkele stelling van verweerder dat in dit geval uitsluitend de planregels van voormeld bestemmingsplan bepalend zijn, zonder daarbij de omgevingsvergunning en de daaraan verbonden voorschriften te betrekken, geen stand kan houden. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de planregels van voormeld bestemmingsplan alleen kunnen worden begrepen met inachtneming van de onderliggende, verleende omgevingsvergunning (vgl. AbRvS, 16 maart 2016, ECLI:NL: RVS:2016:736). In dit verband stelt de rechtbank verder vast dat eiseres sub 1 om haar moverende redenen geen gebruik heeft gemaakt van de aan haar verleende omgevingsvergunning en dat de vorenbedoelde loods op voormeld perceel te Tzummarum niet is gerealiseerd. Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich dat eiseres sub 1 in strijd met het bestemmingsplan heeft gehandeld, aangezien de voor een juiste ruimtelijke inpassing van de bedrijfsvoering noodzakelijke loods niet is gebouwd, zodat het bedrijf van eiseres sub 1 zich niet kan houden aan de normen die op grond van voormeld bestemmingsplan worden verondersteld te gelden. Het feit dat verweerder desgevraagd heeft besloten tot intrekking van de aan eiseres sub 1 bij besluit van 28 april 2015 verleende omgevingsvergunning voor de bouw van een loods, maakt dit niet anders. Uit de voorgaande overwegingen volgt dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake was van een overtreding, zodat er geen bevoegdheid bestond om handhavend op te treden. De rechtbank constateert dat er in zoverre een zorgvuldigheidsgebrek, als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb, en een motiveringsgebrek, als bedoeld in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb kleven aan het bestreden besluit II van verweerder. Deze grond van eisers sub 4 slaagt. Om die reden is het beroep van eiseres gegrond en komt het bestreden besluit II in zoverre voor vernietiging in aanmerking. Dit betekent dat verweerder opnieuw dient te beslissen op de bezwaren van eisers sub 4, voor zover die gericht zijn tegen het primaire besluit VII, inhoudende de afwijzing van het verzoek om handhavend op te treden jegens het bedrijf van eiseres sub 1 voor wat betreft de verandering/uitbreiding van de inrichting, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.
Uit rechtsoverweging 16.3 volgt dat de rechtbank van oordeel is dat, voor zover het handhavings-verzoek van eisers sub 4 betrekking heeft op het gebruik van de schapenstal, dat verweerder er geen blijk van heeft gegeven kennis te hebben van de geldende normen ten tijde van het bestreden besluit II. Evenmin heeft verweerder inzichtelijk gemaakt welke normen van toepassing zijn ten tijde van het bestreden besluit II. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de door eiseres sub 1 ingediende milieumelding uitgaat van de te bouwen loods op grond van de verleende omgevingsvergunning bij besluit van 28 april 2015, terwijl die loods niet is gebouwd. Hoewel de verleende omgevingsvergunning niet strekt tot een bouwverplichting van de bedoelde loods, heeft het feit dat die loods niet is gebouwd wel consequenties voor de normen die van toepassing zijn op de bedrijfsvoering van het bedrijf van eiseres sub 1. In dit verband wijst de rechtbank erop dat zij, onder meer vanwege het gebrekkig aanleveren van de van belang zijnde gedingstukken door verweerder, geen inzicht heeft verkregen in de toepasselijke vergunningen en meldingen, zodat de rechtbank niet kan beoordelen of en in hoeverre het bedrijf van eiseres sub 1 zich houdt en kan houden aan de van toepassing zijnde normen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat ook in zoverre een zorgvuldigheidsgebrek, als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb, en een motiveringsgebrek, als bedoeld in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, kleven aan het bestreden besluit II. Deze grond van eisers sub 4 slaagt. Om die reden is het beroep van eiseres gegrond en komt het bestreden besluit II in zoverre voor vernietiging in aanmerking. Dit betekent dat verweerder opnieuw dient te beslissen op de bezwaren van eisers sub 4, voor zover die gericht zijn tegen het primaire besluit VI, inhoudende de afwijzing van het verzoek om handhavend op te treden jegens het bedrijf van eiseres sub 1 voor wat betreft het gebruik van de schapenstal, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.
Uit rechtsoverweging 17.5 volgt dat de rechtbank van oordeel is dat het beroep van eisers sub 4, voor zover dat betrekking heeft op de afwijzing van het verzoek om handhavend op te treden in verband met de plaatsing van zeecontainers, gegrond is.
Uit de rechtsoverwegingen 20.3, 21.4 en 22.2 volgt dat de rechtbank van oordeel is dat het beroep van eisers sub 4, voor zover dat is gericht tegen het bestreden besluit III, gegrond is en dat dit bestreden besluit III voor vernietiging in aanmerking komt. Dit betekent dat verweerder opnieuw dient te beslissen op dit afzonderlijke verzoek om handhavend op te treden jegens het bedrijf van eiseres sub 1, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Beslist wordt als volgt.




Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep van eiseres sub 3, voor zover het is gericht tegen de bestreden besluiten I en II en mede is ingediend namens de overige leden van de familie [naam], woonachtig op het opgegeven adres, niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep van eisers sub 4, voor zover het is gericht tegen de bestreden besluiten I en II en mede is ingediend namens de heer [naam], niet-ontvankelijk;
- verklaart de beroepen van eiseres sub 1, voor zover het is gericht tegen de bestreden besluiten I en II, ongegrond;
- verklaart het beroep van eiseres sub 2, voor zover het is gericht tegen het bestreden besluit I en het daarvan deel uitmakende besluit van 12 september 2019, gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit I en het daarvan deel uitmakende besluit van
12 september 2019;
- herroept het primaire besluit I van 28 december 2016 van verweerder;
- voorziet zelf in de zaak door te bepalen dat de aanvraag voor de omgevings-vergunning van eiseres sub 1 buiten behandeling wordt gesteld;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit I;
- verklaart het beroep van eiseres sub 3, voor zover het is gericht tegen het bestreden besluit I en het daarvan deel uitmakende besluit van 12 september 2019, gegrond;
- verklaart het beroep van eiseres sub 3, voor zover het is gericht tegen het bestreden besluit II en het daarvan deel uitmakende besluit van 10 september 2019, gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit II en het daarvan deel uitmakende besluit van
10 september 2019;
- bepaalt dat verweerder opnieuw dient te beslissen op de bezwaren van eiseres sub 3 met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
- verklaart het beroep van eisers sub 4, voor zover het is gericht tegen het bestreden besluit II en het daarvan deel uitmakende besluit van 10 september 2019, gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit II en het daarvan deel uitmakende besluit van
10 september 2019;
- bepaalt dat verweerder opnieuw dient te beslissen op de bezwaren van eiseres sub 4, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres sub 3 ten bedrage van
€ 2.277,-- en bepaalt dat verweerder deze kosten aan haar dient te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers sub 4 ten bedrage van
€ 3.036,-- en bepaalt dat verweerder deze kosten aan hen dient te vergoeden;
- bepaalt dat verweerder het door eiseres sub 2 betaalde griffierecht ad € 345,-- aan haar dient te vergoeden;
- bepaalt dat verweerder de door eiseres sub 3 betaalde griffierechten van in totaal
€ 348,-- (2 x € 174,--) aan haar dient te vergoeden;
- bepaalt dat verweerder de door eisers sub 4 betaalde griffierechten van in totaal
€ 529,-- (€ 174,-- + € 174,-- + € 181,--) aan hen dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.L. Vucsán, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.L.A. van Kats als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2022.







De griffier De rechter
(De rechter is buiten staat deze
uitspraak te ondertekenen)




Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.


Afschrift verzonden op:
Link naar deze uitspraak