Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
(0548) 54 00 54 (G.J. Steunenberg)
ECLI:NL:RBGEL:2019:6251 
 
Datum uitspraak:22-01-2019
Datum gepubliceerd:24-01-2020
Instantie:Rechtbank Gelderland
Zaaknummers:NL19.11509
Rechtsgebied:Goederenrecht
Indicatie:burenrecht, onduidelijkheid over aangewezen erfgrens, niet kadaster maar partijen bepalen in beginsel de loop van de erfgrens. Rechtbank wijst loop erfgrens aan conform eerdere aanwijzing door partijen.
Trefwoorden:burgerlijk wetboek
koopakte
koopovereenkomst
omgevingsvergunning
perceel
wettelijke rente
 
Uitspraak
Vonnis
_________________________________________________________________ _




RECHTBANK GELDERLAND


Civiel recht

Zittingsplaats Zutphen

zaaknummer: NL19.11509


Vonnis van 22 januari 2020


in de zaak van




1de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheidCHALLENGE VASTGOED B.V., hierna te noemen Challenge,gevestigd te Apeldoorn,
2. [eiser sub 2], hierna te noemen [eiser sub 2] ,wonende te [woonplaats] ,eisers van de vordering,verweerders op de tegenvordering, advocaat: mr. M.W. Verhoeven te Apeldoorn,

tegen




1 [verweerder sub 2]2. [verweerder sub 2] ,beiden wonende te [woonplaats] ,verweerders op de vordering,eisers van de tegenvordering, hierna samen te noemen: [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] ,advocaat: mr. J.C.E. Siebenga-Moggré te Zwolle.




1De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de procesinleiding
- het verweerschrift met een tegenvordering
- het verweerschrift op de tegenvordering
- het proces-verbaal van mondelinge behandeling op 11 december 2019.



1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.





2De feiten

2.1.

[voormalig eigenares] was eigenaresse van een perceel grond, kadastraal bekend als [gemeente] AB 1784, plaatselijk bekend Koningstraat 58 en [X] te [woonplaats] . Dit perceel was gelegen tussen de [De straat] en de [andere straat] te [woonplaats] .


2.2.
Op 20 juli 2017 heeft zij aan [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] het middelste deel van haar perceel verkocht. Dit perceel wordt in de koopakte als volgt beschreven: “(…) gelegen achter het woonhuis [adres X] te [woonplaats] een stuk grond met voormalige werkplaats waarop gevestigd een woonbestemming en vergunning voor 2 woningen, welke definitief is vastgesteld door de gemeenteraad van [gemeente] op 23 november 2012, kadastraal bekend gemeente [gemeente] , sectie AB, no. 1784 gedeeltelijk groot 0 hectare, ca, 10 are, 70 centiare zie ingetekende kadastrale kaart in bijlage.”
Dit aan [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] verkochte perceel is met een strook grond langs de oostkant van het voorliggende perceel verbonden met de [De straat] . Het perceel van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] zal hierna worden aangeduid als perceel 5020.



2.3.
In artikel 20 van de koopovereenkomst zijn nadere afspraken vastgelegd.
Artikel 20.1 van de koopovereenkomst bepaalt dat de kadasterkosten voor het uitmeten van de nieuwe perceelgrenzen voor rekening van kopers komen.
Artikel 20.2 bepaalt dat de koper zich verplicht de huidige bebouwing gezien vanaf de Koningstraatzijde voor zijn rekening met 5 meter in te korten en te voorzien van een nieuwe voorgevel.
Artikel 20.3 luidt: “De omschrijving van het verkochte zoals omschreven bij artikel 1 is exact weergegeven op de in bijlage aanwezige kadastrale kaart die door beide partijen zal worden geparafeerd.”
In artikel 20.5 staat: “Op het verkochte terrein staat nog een kapschuur (ijzeren), deze blijft in eerste instantie eigendom van verkoper. Verkoper zal deze spoedig na de overdracht geheel of gedeeltelijk weghalen. Hetgeen door verkoper niet wordt weggehaald, blijft om niet achter op het perceel. Koper dient deze op eigen kosten te laten verwijderen.”



2.4.
Op 17 augustus 2017 heeft [voormalig eigenares] de twee resterende delen van perceel AB 1784 verkocht aan Challenge. Het ene deel (hierna perceel 5019) ter grootte van (ca) 500 m2 is gelegen tussen de [adres X] en perceel 5020. Het andere deel (hierna perceel 5021) is gelegen tussen perceel 5020 en de [andere straat] . Ook deze koopovereenkomst verwijst naar de ingetekende kadastrale kaart en bepaalt dat de nieuwe erfgrenzen zullen worden aangewezen.



2.5.

[verweerder sub 1] heeft het kadaster verzocht de erfgrenzen vast te leggen. Op 1 september 2017 hebben partijen de erfgrenzen van het perceel 5020 aangewezen aan landmeter [de heer B] , verbonden aan het landmeetkundig bureau Prisma Geocensus. Prisma Geocensus is contractspartner van het kadaster voor aanwijs en meting. Bij die meting waren volgens het relaas van bevindingen aanwezig [verweerder sub 1] , [voormalig eigenares] en [bestuurder A Challange] namens Challenge. Ook was aanwezig [installatieverantwoordelijke Liander] , als installatieverantwoordelijke verbonden aan Liander. Aangewezen zijn toen hulplijn 20, in het veld aangegeven met een krijtstreep op de muur, en de punten 21 en 22, in het veld aangegeven met spijkers of sprieten. Na de aanwijzing is contact geweest tussen [verweerder sub 1] en het kadaster over de zuidgrens van het perceel 5019. Daarbij is aangegeven dat perceel 5019 exact 500 m2 groot moest zijn en is besproken hoe de grens van punt 21 en 22 wordt verschoven ter verkrijging van deze oppervlakte. Met inachtneming hiervan is de aanwijzing door het kadaster vastgelegd onder archiefnummer 1924. De grens van de percelen 5019 en 5020 is daarop als volgt weergegeven:








2.6.
Challenge heeft op 22 december 2017 perceel 5021 ter grootte van ca. 1068 m2 (door)verkocht aan [eiser sub 2] .



2.7.

[verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] hebben in mei 2018 een hek geplaatst aan de noordzijde van hun perceel. Omdat dit hek volgens Challenge niet op de kadastrale grens staat maar (gedeeltelijk) op haar perceel heeft zij [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] gesommeerd dit hek te verwijderen. Ook heeft zij gevorderd dat [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] de kapschuur zou verwijderen, voor zover deze op het door Challenge aan [eiser sub 2] geleverde perceel staat. Omdat [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] niet aan deze sommaties voldeden, hebben Challenge en [eiser sub 2] een kort geding tegen hen aanhangig gemaakt.



2.8.
Voorafgaande aan de behandeling van dit kort geding heeft [verweerder sub 1] zich gewend tot het kadaster en verzocht om herstel voor wat betreft de grenzen van perceel 5020. Op 24 juli 2018 is naar aanleiding van dit verzoek een relaas van bevindingen opgemaakt, ondertekend door [de heer B] . Daarin staat: “Er is destijds aanwijs gehaald door landmeter [de heer B] . Ter plaatse zijn een krijtstreep op muur en 2 spijkers aangewezen, voor wat betreft de Z-grens van perceel 5019. Daarna is er een exacte oppervlakte aangevraagd voor tevens het perceel 5019. Daarbij is aangegeven dat geschoven moest worden met de lijn bestaande uit de 2 spijkers.

Er is miscommunicatie geweest over het feit dat de grens nog wel met krijtmerk op muur naar spijker moest gaan verlengen naar grens, zodanig evenwijdig aan de hulplijn aangegeven met 2 spijkers. Er is echter begrepen dat de lijn bestaande uit 2 spijkers alleen nog maar een hulplijn was en dus geen onderdeel meer uitmaakte van de grens. Bij dit relaas wordt de foutieve perceelsvorming hersteld.


Na berekening is gebleken dat de grens 2,75 meter evenwijdig ligt in Z-richting aan de hulplijn afgepaald met 2 spijkers.”

Deze correctie (door het kadaster aangeduid als “ambtshalve herstel”) is als archiefnummer 1940 vastgelegd en op de bijbehorende kadastrale kaart is de grens tussen de percelen 5019 en 5020 aangegeven als volgt:












De kadastrale nummering van de percelen is daarbij weer gewijzigd, maar de rechtbank zal gemakshalve hierna de aanduidingen 5019, 5020 en 5021 blijven gebruiken.



2.9.
Bij op tegenspraak gewezen, uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis in kort geding van 30 oktober 2018 zijn [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] veroordeeld om binnen acht weken na betekening van dat vonnis de kapschuur voor zover (deels) aanwezig op perceel 5021 te verwijderen en verwijderd te houden.



2.10.
Naar aanleiding van de onder 2.8 vermelde correctie heeft Challenge contact opgenomen met het kadaster. Het kadaster is na onderzoek tot de conclusie gekomen dat het ambtshalve herstel onbevoegd en zonder juiste grondslag heeft plaatsgevonden. De bevoegdheid tot een zodanig herstel lag niet bij Prisma Geocensus en om te kunnen concluderen dat er sprake is van miscommunicatie moeten alle partijen daarbij betrokken zijn, aldus het kadaster. Het herstel is waardeloos verklaard en de splitsing is teruggedraaid naar de situatie als weergegeven op archiefnummer 1924. Een en ander is op 30 augustus 2018 vastgelegd onder archiefnummer 1945, waarbij de percelen weer zijn hernummerd.



2.11.
Challenge heeft vervolgens het kadaster verzocht ter plekke aan te geven hoe de situatie in het veld is. Op 20 februari 2019 is door [de heer C] , landmeter, een relaas van bevindingen opgesteld van de reconstructie ter plaatse. Bij die reconstructie waren aanwezig de heren [bestuurder B Challange] en [bestuurder A Challange] , beiden bestuurders van Challenge en door haar gemachtigd, waarbij [bestuurder A Challange] mede aanwezig was als gemachtigde van [eiser sub 2] . De reconstructie is als volgt vastgelegd op een kadastrale kaart, waarbij de stippellijn de kadastrale grens aangeeft en de ononderbroken lijn langs de punten 36, 37, 38 en 39 de door [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] geplaatste schutting. Op deze kaart is de situatie als volgt weergegeven:








2.12.

[verweerder sub 1] heeft bezwaar gemaakt tegen onder meer het waardeloos verklaren van de correctie in archiefnummer 1940. Dit bezwaar is bij beslissing van het kadaster van 6 november 2019 ongegrond verklaard. [verweerder sub 1] is hiertegen in beroep gegaan bij de sector bestuursrecht van deze rechtbank. Op dat beroep is nog niet beslist.





3De vordering en de grondslag

3.1.
Challenge en [eiser sub 2] vorderen, na vermindering van eis, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] zal veroordelen om binnen één week na betekening van het vonnis, het hek, zoals aanwezig en hiervoor uiteengezet, op het perceel met nummer 5069 [5019, rb] te verwijderen en verwijderd te houden en de kadastrale grenzen te respecteren, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50.000,- voor iedere dag dat zij na betekening van het in deze te wijzen vonnis in gebreke blijven met de nakoming van deze verplichting;
II. [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] zal veroordelen om mee te werken aan de plaatsing, althans dit te gedogen, van een erfafscheiding aan de rechterzijde van perceel nummer 5069 [5019, rb] op de erfgrens alsmede mee te werken aan de plaatsing van een erfafscheiding op de kadastrale erfgrens aan de achterzijde, althans dit te gedogen, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- voor iedere overtreding, althans voor iedere dag dat zij in verzuim zijn met deze verplichting, met veroordeling van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] in een kostenbijdrage van € 1.493,92.
III. [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] zal veroordelen om mee te werken aan de plaatsing, althans dit te gedogen, van een erfafscheiding op de grens van percelen 5094 en 5095 [5021, rb] enerzijds en 5070 [5020, rb] anderzijds, althans dit te gedogen, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50.000,- voor iedere overtreding, althans voor iedere dag dat gedaagden in verzuim zijn met vorenbedoelde verplichting, met veroordeling van gedaagden in een kostenbijdrage van € 881,20,
VI. [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] hoofdelijk, des dat de een betaalt, de ander zal zijn gekweten, zal veroordelen als schadevergoeding aan Challenge te betalen € 53.891,63, althans een in goede orde en justitie te bepalen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2018 althans vanaf de dag van dagvaarding,
V. voor recht zal verklaren dat [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] jegens Challenge onrechtmatig hebben gehandeld (door onder andere plaatsing van het hek) en hen te veroordelen tot schadevergoeding nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,
VI. alles met veroordeling van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] in de kosten van de procedure.



3.2.
Aan deze vorderingen leggen Challenge en [eiser sub 2] het volgende ten grondslag.

[verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] hebben inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van Challenge door een schutting op haar grond te plaatsen. Daardoor is een geschil over de erfafscheiding ontstaan als gevolg waarvan Challenge de door haar gekochte en opgeknapte woning (nog) niet kan verkopen, zoals zij van plan is. Challenge lijdt daardoor renteverlies, door haar tot en met april 2019 begroot op € 26.312,50. Challenge heeft er recht op en belang bij dat aan dit onrechtmatig handelen een einde wordt gemaakt. [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] dienen mee te werken en mee te betalen aan de oprichting van een nieuwe erfafscheiding, hetgeen zij weigeren. Ook dienen zij mee te werken en te betalen aan de oprichting van een erfafscheiding tussen hun erf en het erf van [eiser sub 2] . De weigerachtige houding van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] brengt met zich dat zij integraal veroordeeld moeten worden in de juridische kosten die Challenge heeft moeten maken. Deze kosten belopen inmiddels € 24.671,13, te vermeerderen met de kadasterkosten ad € 1.454,00.





4Het verweer op de vordering

4.1.

[verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] vorderen dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de vorderingen van Challenge en [eiser sub 2] zal afwijzen, althans Challenge en [eiser sub 2] in hun vorderingen niet-ontvankelijk zal verklaren, met hun (hoofdelijke) veroordeling in de kosten van deze procedure.





5De tegenvordering

5.1.

[verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] vorderen dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de erfgrens tussen het perceel van [verweerder sub 2] en [verweerder sub 1] en het perceel van Challenge Vastgoed, gelegen aan de Koningsstraat 58 en [X] te [woonplaats] , kadastraal bekend gemeente [gemeente] , sectie AB, vaststelt zoals door [verweerder sub 2] en [verweerder sub 1] gevorderd in punt 54 van het verweerschrift met een tegenvordering en die als volgt loopt volgens de door het Kadaster aangebrachte tekens bij de hierna vermelde punten op de verschillende in deze procedure genoemde kadastrale kaarten: punten: 18, 19, langs de lijn 8-9, vanaf punt 9 naar punt 20 vervolgens naar punt 21. De lijn 20 – 21 wordt doorgetrokken tot het punt waar deze de lijn snijdt, die op 2,75 m. zuidelijk evenwijdig aan de lijn 21-22 loopt en vervolgens over deze evenwijdige lijn tot de perceelsgrens,
met hoofdelijke veroordeling van Challenge en [eiser sub 2] in de kosten van deze procedure.



5.2.
Zij leggen hieraan ten grondslag dat nog steeds onzekerheid bestaat over de erfgrens tussen hun perceel en het perceel van Challenge. Zij hebben er recht op en belang bij dat de rechtbank de erfgrens bepaalt, zodanig dat recht wordt gedaan aan de belangen van Challenge en van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] . Dat zal het geval zijn als de grens wordt bepaald zoals door [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] gevorderd.





6Het verweer op de tegenvordering


6.1.
Challenge heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering, kosten rechtens.





7De beoordeling
van de vordering en van de tegenvordering

7.1.
De vorderingen lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.



7.2.
De vordering van Challenge en [eiser sub 2] onder III om [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] -kort gezegd- te veroordelen mee te werken en mee te betalen aan de plaatsing van een erfafscheiding op de grens van hun perceel en het perceel van [eiser sub 2] zal worden afgewezen. [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] hebben aangevoerd dat zij inmiddels een erfafscheiding hebben geplaatst op de grens tussen hun perceel en het perceel van [eiser sub 2] , over de ligging waarvan geen geschil bestaat. Deze onweersproken gebleven verklaring hebben zij onderbouwd met foto’s van die erfafscheiding. Challenge en [eiser sub 2] hebben daarom geen belang meer bij deze vordering.



7.3.
Over het geschil tussen partijen over de loop van de erfgrens tussen het perceel van Challenge enerzijds en [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] anderzijds wordt het volgende overwogen.
Challenge heeft aangevoerd dat deze tegenvordering niet voor toewijzing vatbaar is, omdat de grens door partijen aan het kadaster is aangewezen en dus de situatie van artikel 5:47 van het Burgerlijk Wetboek (BW) zich niet voordoet. In dat artikel staat dat in het geval de loop van grens tussen twee percelen onzeker is, ieder der eigenaren kan vorderen dat de rechter de grens bepaalt.
Dit verweer wordt verworpen. Weliswaar is op 1 september 2017 door [bestuurder A Challange] namens Challenge en [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] aan de landmeter aangegeven waar de grens zou moeten lopen, partijen twisten niet alleen over de juiste loop van de grens maar ook over de vraag of die aanwijzing juist is weergegeven op de verschillende kadastrale kaarten die door het kadaster inmiddels zijn vervaardigd en gearchiveerd.
Challenge stelt zich op het standpunt dat de kaart met archiefnummer 1957 de loop van de perceelsgrens juist weergeeft, [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] zijn van mening dat de kaart met archiefnummer 1940 de juiste weergave is. Dit betekent dat de loop van de grens onzeker is.



7.4.
Springend punt in het geschil tussen partijen is het antwoord op de vraag of de grens al dan niet loopt over spijker 21. Bij de bespreking hiervan stelt de rechtbank voorop dat de plaats van spijker 21 op kaart 1957 afwijkt van de plaats waar deze is getekend op de kaarten 1924 en 1940 (en naar de rechtbank aanneemt 1945). Op deze kaarten ligt spijker 21 ten zuidwesten van de krijtstreep op de muur die op alle kaarten als punt 20 staat aangegeven. Op kaart 1957 staat spijker 21 echter pal ten zuiden van punt 20 weergegeven en loopt de grens via punt 20 over punt 21 schuin naar punt 22.
Uit het relaas in archiefnummer 1924 blijkt dat op 1 september 2017 in bijzijn van de toen aanwezige partijen spijker 21 is geplaatst zoals aangegeven op kaart 1924. Omdat spijker 21 op kaart 1957 op een andere plaats is ingetekend dan op kaart 1924 moet geoordeeld worden dat kaart 1957 in ieder geval niet de juiste ligging van de erfgrens weergeeft zoals door partijen op 1 september 2017 aangewezen. Aan kaart 1957 komt voorts geen (voldoende) betekenis toe, omdat bij deze reconstructie naast de landmeter alleen [bestuurder B Challange] en [bestuurder A Challange] aanwezig zijn geweest namens Challenge, waarbij [bestuurder A Challange] mede is opgetreden als gemachtigde van [eiser sub 2] . Uit het relaas blijkt niet dat [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] als belanghebbenden zijn opgeroepen of verschenen.



7.5.
Vervolgens moet worden nagegaan of kaart 1940 dan wel kaart 1924 de juiste loop van de erfgrens aangeeft. Op kaart 1940 loopt de erfgrens direct over spijker 21, op kaart 1924 loopt deze ongeveer twee meter ten zuiden van spijker 21.

[verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] stellen dat bij de aanwijzing is aangegeven dat de grens over spijker 21 moet lopen zoals weergegeven op kaart 1940. Volgens Challenge loopt de grens twee meter ten zuiden van spijker 21 zoals weergegeven op kaart 1924.
Challenge heeft gesteld dat kaart 1940 niet juist is, omdat daarin ten onrechte is opgenomen dat op 24 juli 2018 een nieuwe opmeting zou zijn gedaan door de heer [de heer B] . [de heer B] was op 24 juli 2018 echter op vakantie en feitelijk is niemand ter plaatse geweest, hetgeen volgens Challenge ook door [de heer B] is bevestigd. [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] hebben aangevoerd dat er geen sprake is geweest van een hernieuwde opmeting, maar dat [de heer B] een toelichting heeft gegeven van de correctie (ambtshalve herstel) die geleid heeft tot kaart 1940.
De rechtbank gaat ervan uit dat de vermelding op de kadastrale kaart 1940 dat op 24 juli 2018 is opgemeten door [de heer B] , berust op een vergissing en dat er sprake is geweest van een correctie van de grens op de kaart door [de heer B] naar aanleiding van de opmerkingen van [verweerder sub 1] , zonder dat ter plaatse is opgemeten.


7.6.
Bij de beantwoording van de vraag welke kaart de door partijen aangewezen erfgrens weergeeft, stelt de rechtbank voorop dat het kadaster lijdelijk is, in die zin dat partijen en niet het kadaster bepalen waar de erfgrens loopt.

[verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] hebben gesteld dat met spijker 21 het punt is aangegeven dat in acht genomen moest worden om de doorgang met een vrachtauto naar hun perceel mogelijk te maken. Het is voor hen van belang dat cliënten (veelal patiënten) hun perceel kunnen bereiken. De lijn van spijker 20 naar spijker 21 zou worden doorgetrokken en vervolgens op een afstand van 2.75 meter evenwijdig aan de hulplijn lopen. Dat laatste om te garanderen dat het perceel van Challenge 500 m2 zou zijn.
Challenge heeft in haar verweer op de tegenvordering betwist dat ten tijde van de aanwijs aan het kadaster besproken is dat een vrachtwagen ter plaatse zou moeten kunnen komen. Dat is volgens haar niet aan de orde geweest. Ook heeft zij betwist dat het bedrijf van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] bezocht wordt door patiënten en dat bereikbaarheid door hulpdiensten anders dan lopend via de oprit nodig is. Daarnaast heeft zij aangevoerd dat de vrachtauto van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] geen vrachtwagen is, maar op z’n hoogst een bestelbus. Zij stelt dat er volgens haar ruim voldoende ruimte is voor die bestelbus. Ten tijde van de aanwijs door het kadaster was op het perceel van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] nog de oorspronkelijke bebouwing, huis nr [X] , aanwezig. Volgens Challenge zijn [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] na het verwijderen van een deel van deze bebouwing erachter gekomen dat de doorgang wat hen betreft niet ruim genoeg was. Pas in juni 2018 zijn [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] , na het plaatsen van het hek, gaan klagen over de aanwijs. [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] hebben de kadastrale kaart 1924 ook gebruikt bij hun aanvraag voor een omgevingsvergunning, aldus Challenge.



7.7.
Dit verweer wordt verworpen. [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] hebben verklaringen in het geding gebracht van [voormalig eigenares] en van [installatieverantwoordelijke Liander] . [voormalig eigenares] schrijft in haar verklaring van 27 juli 2018 dat zij bij de aanwijs aanwezig is geweest en dat uitgangspunt bij de aanwijs was dat het volledige terrein van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] met een vrachtwagen bereikbaar moest zijn. Daarvoor is ook een spriet (spriet 21) geslagen door de landmeter. Ter plekke is met alle betrokkenen ter plaatse afgesproken dat er alleen geschoven zou worden met de lijn tussen 21 en 22. Hierover is uitvoerig gesproken met de landmeter. Inmiddels heeft zij op de kadastrale tekening gezien dat er geen doorgang is voor een vrachtwagen naar het achter terrein en dat geschoven is met de grens tussen punt 20 en spriet 21. De verstrekte opdracht en aanwijzing is onjuist uitgevoerd en dient volgens haar hersteld te worden, zo verklaart [voormalig eigenares] .

[installatieverantwoordelijke Liander] , installatiedeskundige bij Liander schrijft in zijn verklaring van 20 september 2018:

“(…)Tijdens de inmeting ten behoeve van de uitsplitsing van perceel AB 5020 was ik aanwezig. Tijdens de inmeting kwam er een opdracht van [bestuurder A Challange] , koper van perceel AB5019, dat hij de 500 m2 wilde hebben die hij had gekocht volgens zijn contract. De verkoopster ( [voormalig eigenares] ), die ook bij de inmeting aanwezig was, zei dat [bestuurder A Challange] niet exact 500 m had gekocht, maar dat in zijn contract circa 500 meter stond. [bestuurder A Challange] bleef bij zijn standpunt dat 500 meter uitgemeten moest worden.


Daardoor was er verwarring. De kopers van perceel AB5020 (fam [verweerder sub 2] ) wilden een rechte lijn aanwijzen, zoals volgens hen was overeengekomen bij de koop. Zij maakten zich zorgen of zij wel de m2 zouden krijgen die zij hadden gekocht.



[bestuurder A Challange] gaf aan dat de kopers van perceel AB5020 zich geen zorgen hoefden te maken omdat ze de grond die ze te weinig hadden aan de voorkant, er aan de achterkant bij kregen. Daarop reageerde de familie [verweerder sub 2] dat het belangrijkste was dat zij met een vrachtwagen naar het achtererf konden komen. De landmeter bood aan dat hij een pen kon slaan en dan een schuine lijn kon trekken die vaststond zodat er een doorgang voor een vrachtwagen bleef.


Om het op te lossen hebben partijen ter plaatse uitgebreid gepast en gemeten hoe de doorgang naar het achtererf gewaarborgd kon worden. Er is een grens overeengekomen. De landmeter heeft deze punten aangegeven en er zijn op dat moment ook pennen in de grond geslagen om de erfgrens aan te duiden en de merktekens op de muur en schutting zijn overgenomen. (…) Ik heb nu begrepen dat er discussie is over deze grens. Echter is de grens neergezet in het bijzijn van verkoopster, kopers en landmeter. En dit is de afgesproken en aangewezen grens. De digitale tekening van het kadaster in een later stadium geeft niet de afgesproken grens weer en is niet juist.


De landmeter had wel aangegeven dat de tekening een ander beeld kon geven omdat het tekenprogramma waarmee ze werkten beperkingen had. (…)”

In een andere verklaring schrijft [installatieverantwoordelijke Liander] : “(…) Er is afgesproken dat het achterterrein van AB 5020 met een vrachtwagen bereikbaar moest zijn. Om de doorgang te waarborgen is er een spriet geslagen door de landmeter (spriet 21). Voor een vierkante meterberekening t.b.v. perceel AB5019 zou alleen worden geschoven met de lijn tussen spriet 21 en 22 met waarborging van de doorgang tussen 20 en 21. Met andere woorden: de lijn tussen 20 en 21 was een vast gegeven. (…)”
De rechtbank merkt op dat [voormalig eigenares] en [installatieverantwoordelijke Liander] geen partij zijn in deze procedure en dat gesteld noch gebleken is dat zij belang hebben bij de uitkomst daarvan. Met deze verklaringen, in onderlinge samenhang bezien, hebben [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] naar het oordeel van de rechtbank voldoende bewijs geleverd van hun stelling dat de op 1 september 2017 door partijen aangewezen erfgrens loopt zoals weergegeven op de kaart met archiefnummer 1940. Uit de verklaringen van [voormalig eigenares] en [installatieverantwoordelijke Liander] blijkt dat toen tussen partijen is besproken dat de erfgrens in ieder geval over spijker 21 moet lopen om te bewerkstelligen dat het gehele erf van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] met een vrachtwagen bereikbaar is en Challenge heeft niet (voldoende) weersproken dat het achterterrein niet met een vrachtwagen bereikbaar is als de erfgrens loopt zoals aangegeven op de kaart met archiefnummer 1924. Ook blijkt uit de verklaringen van [voormalig eigenares] en [installatieverantwoordelijke Liander] dat bij de aanwijs is besproken dat bij een eventuele wijziging van de erfgrens alleen geschoven zou kunnen worden tussen de punten 21 en 22, maar niet tussen de punten 20 en 21. Dit vindt ook steun in de opmerkingen van [de heer B] bij het relaas van bevindingen 1940.
Het feit dat [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] bij hun aanvraag van 5 september 2017 van een omgevingsvergunning kaart 1924 hebben gevoegd leidt niet tot een ander oordeel over hetgeen bij de aanwijs is besproken.



7.8.
De stelling van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] dat bij vaststelling van de erfgrens zoals door hen gevorderd niet alleen hun belang bij een voldoende ruime doorgang naar het achterterrein maar ook het belang van Challenge bij een perceel met een oppervlakte van 500 m2 gewaarborgd is, is door Challenge niet weersproken. De rechtbank zal dan ook de erfgrens tussen het aan Challenge toebehorende perceel en het aan [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] toebehorende perceel vaststellen zoals door hen gevorderd, te weten conform de kadastrale kaart die deel uitmaakt van het relaas van bevindingen met archiefnummer 1940.



7.9.
Omdat de tegenvordering alleen tegen Challenge is gericht, zal ook alleen Challenge als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld worden in de kosten in de tegenvordering. Deze kosten worden gesteld op € 537,00.



7.10.
De aard van de beslissing, te weten de vaststelling van een erfgrens, brengt met zich dat de vordering deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, moet worden afgewezen. De proceskostenveroordeling zal wel uitvoerbaar bij voorraad verklaard worden.



7.11.
Al hetgeen hiervoor is overwogen leidt voor wat betreft de vorderingen van Challenge en [eiser sub 2] tot het volgende.
De stelling van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] dat de door hen langs de achterzijde van het perceel van Challenge geplaatste schutting staat op de erfgrens zoals deze door partijen op 1 september 2017 is aangewezen, is door Challenge en [eiser sub 2] niet weersproken. Nu de rechtbank deze erfgrens als erfgrens zal aanwijzen, doet zich niet de situatie voor dat de schutting geheel of gedeeltelijk op het perceel van Challenge staat. De vordering tot verwijdering van deze schutting zal daarom worden afgewezen, evenals de vordering van Challenge en [eiser sub 2] om [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] te veroordelen mee te werken aan plaatsing van een (ander) hek op de erfgrens.
De vordering van Challenge om [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] te veroordelen mee te werken aan de plaatsing van een schutting aan de rechterzijde van haar perceel deelt dat lot. Challenge heeft ten aanzien van deze vordering onvoldoende gesteld om tot toewijzing daarvan te kunnen komen, terwijl [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] ter zitting verklaard hebben dat zij akkoord gaan met de plaatsing van een mandelig hek.
Omdat niet gezegd kan worden dat [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] inbreuk hebben gemaakt op het eigendomsrecht van Challenge en daardoor onrechtmatig jegens Challenge hebben gehandeld, zijn ook de vorderingen van Challenge tot schadevergoeding en tot het geven van een verklaring voor recht met verwijzing naar de schadestaatprocedure niet voor toewijzing vatbaar.



7.12.
Challenge en [eiser sub 2] zullen als de in het ongelijk gestelde partijen veroordeeld worden in de kosten van deze procedure. Deze kosten aan de zijde van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] worden begroot als volgt:
betaald griffierecht € 914,00
salaris advocaat € 2.148,00 (2 punten × factor 1,0 × tarief € 1.074,00)
Totaal € 3.062,00
De vordering Challenge en [eiser sub 2] hoofdelijk in de kosten te veroordelen zal worden afgewezen, nu daartoe onvoldoende is gesteld. Omdat hun vorderingen onder I, II, IV en V uitsluitend ten dienste van Challenge zijn ingesteld, zal Challenge veroordeeld worden tot betaling van een bedrag van € 2.562,00 en [eiser sub 2] tot betaling van een bedrag van € 500,00.






8De beslissing
De rechtbank


op de vordering



8.1.
wijst de vorderingen af,



8.2.
veroordeelt Challenge in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] en tot aan dit vonnis begroot op een bedrag van € 2.562,00,



8.3.
veroordeelt [eiser sub 2] in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] en tot aan dit vonnis begroot op een bedrag van € 500,00,



8.4.
verklaart deze proceskostenveroordelingen onder 8.2. en 8.3. uitvoerbaar bij voorraad,


op de tegenvordering




8.5.
stelt de erfgrens tussen het perceel van Challenge en het perceel van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] vast zoals weergegeven op de kadastrale kaart behorende bij het relaas van bevindingen van 24 juli 2018, bij het kadaster geregistreerd als Gemeente [gemeente] sectie AB archiefnummer 1940,



8.6.
veroordeelt Challenge in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] en tot aan dit vonnis begroot op een bedrag van € 537,00,



8.7.
verklaart deze proceskostenveroordeling onder 8.6. uitvoerbaar bij voorraad,


Dit vonnis is gewezen door mr. O. Nijhuis en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2020.


Ap/on
Link naar deze uitspraak