Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
(0548) 54 00 54 (G.J. Steunenberg)
ECLI:NL:RBROT:2017:4615 
 
Datum uitspraak:15-06-2017
Datum gepubliceerd:16-06-2017
Instantie:Rechtbank Rotterdam
Zaaknummers:16/8107
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:dagloon, WIA
Trefwoorden:dagloon
loonbelasting
uitkering
 
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 3

zaaknummer: ROT 16/8107

uitspraak van de meervoudige kamer van 15 juni 2017 in de zaak tussen



[eiseres]
, te Rotterdam, eiseres,
gemachtigde: A.M. Lopes,

en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder,
gemachtigde: mr. T. Rook.




Procesverloop

Bij besluit van 1 juni 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres met ingang van
23 juni 2016 in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA-uitkering) op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

Bij besluit van 2 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken overgelegd.

Op 8 maart 2017 heeft de rechtbank verweerder schriftelijk vragen gesteld, waarop verweerder bij brief van 21 maart 2017 heeft geantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.




Overwegingen


1.1
Eiseres heeft in de periode van 16 juli 2011 tot 20 juni 2013 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontvangen. In aansluiting hierop heeft eiseres een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb) ontvangen tot 26 augustus 2013.



1.2
Met ingang van 26 augustus 2013 is eiseres in dienst getreden bij [werkgever] als administratief medewerker voor 30,09 uur per week. Dit dienstverband betrof een tijdelijk dienstverband, dat afliep op 31 juli 2014. Op 26 juni 2014 is eiseres uitgevallen met lichamelijke klachten. Van Randstand, die eigenrisicodrager is, heeft eiseres een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) ontvangen. Voor ommekomst van de toepasselijke wachttijd heeft eiseres op 31 maart 2016 een ‘Aanvraag WIA-uitkering’ ingediend.



1.3
Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek heeft verweerder het primaire besluit genomen. Daarin heeft verweerder toegelicht dat hij een loongerelateerde WGA-uitkering heeft toegekend aan eiseres, omdat zij 100% arbeidsongeschiktheid is en een meer dan geringe kans op herstel heeft. Het dagloon is vastgesteld op € 87,16.



1.4
Op 2 juni 2016 heeft de verzekeringsarts het rapport dat hij naar aanleiding van het onder 1.3 genoemde onderzoek had uitgebracht, aangevuld. Hierin heeft hij de keuze om eiseres voorlopig nog niet in aanmerking te brengen voor een inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA) toegelicht.



1.5
Eiseres heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt voor zover dat ziet op de hoogte van het dagloon.



1.6
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Volgens verweerder loopt de referteperiode in het geval van eiseres van 1 juni 2013 tot en met 31 mei 2014. In de maand juni 2013 heeft eiseres een gecorrigeerd bedrag van € 3.333,34 aan WW-uitkering ontvangen. Voorts heeft zij in deze periode een gecorrigeerd bedrag van € 18.833,34 aan sv-loon ontvangen. Het totaal van deze bedragen komt neer op € 22.166,68, welk bedrag verweerder vervolgens heeft gedeeld door 261 dagen. Dit levert een bedrag van € 84,93 per dag op, dat vervolgens door verweerder is verhoogd naar € 87,16, omdat er geruime tijd is verstreken tussen het moment waarop eiseres ziek werd en het moment waarop de uitkering ingaat.



2.1
In beroep heeft eiseres haar standpunt gehandhaafd dat het dagloon te laag is vastgesteld. Daarbij heeft eiseres opgemerkt dat uit het bestreden besluit niet volgt welke aangiftetijdvakken
Randstad en verweerder hebben gehanteerd. Volgens eiseres is het begrip aangiftetijdvak door verweerder onjuist toegepast, waardoor de referteperiode en de sv-lonen niet goed zijn vastgesteld. Week 35 van het jaar 2013 is ten onrechte wel en week 22 van het jaar 2014 is ten onrechte niet meegerekend, aldus eiseres. Eiseres heeft ter ondersteuning van haar standpunt gewezen op een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (Raad) van 22 juni 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:2347). Het bestreden besluit is volgens eiseres dan ook niet zorgvuldig voorbereid en berust daarnaast niet op een deugdelijke motivering.
Eiseres heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat zij door verweerder ten onrechte niet is aangemerkt als herintreder.
Ook heeft zij het standpunt ingenomen dat toepassing van de hoofdregel van de Wet WIA, waarbij factor D bestaat uit 261 dagen, in haar geval ertoe leidt dat het dagloon niet in een juiste verhouding staat tot het gederfde loon. Eiseres heeft in dit verband een beroep gedaan op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en ter ondersteuning van haar standpunt gewezen op de uitspraak van de Raad van 30 december 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:4914) en op de uitspraak van 8 juni 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:2146).




2.2
Verweerder heeft de rechtbank in zijn verweerschrift verzocht het beroep van eiseres ongegrond te verklaren. Verweerder heeft daarin opgemerkt dat, in tegenstelling tot wat eiseres heeft betoogd, in het bestreden besluit is vermeld welke aangiftetijdvakken door verweerder, respectievelijk [werkgever] , zijn gehanteerd. Gelet op de datum waarop de arbeidsongeschiktheid van eiseres is ingetreden, te weten 26 juni 2014, loopt de referteperiode van 1 juni 2013 tot en met 31 mei 2014. In het aangiftetijdvak juni 2013 heeft eiseres een WW-uitkering genoten, zodat zij terecht niet is aangemerkt als starter/herintreder in de zin van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit). Een Wwb-uitkering is geen loon in de zin van artikel 14 van het Dagloonbesluit, aldus verweerder.
Het is, volgens verweerder, niet van belang binnen welk tijdvak een werkgever (in het geval van eiseres zowel verweerder als [werkgever] ) aangifte doet. Dit gelet op de definitie van aangiftetijdvak zoals die is neergelegd in artikel 1 van het Dagloonbesluit. Verweerder is volgens hem consistent geweest in de toepassing daarvan. Verweerder heeft opgemerkt dat de laatste twee door eiseres aangedragen uitspraken van de Raad niet zien op een situatie als die van eiseres.
Tot slot geldt volgens verweerder dat week 22 van het jaar 2014 terecht niet door hem is meegenomen, nu deze buiten de referteperiode valt. Week 35 van het jaar 2013 valt daarentegen daarbinnen, zodat deze week terecht is meegenomen.



3.1
Op grond van artikel 13, eerste lid, van de Wet WIA, voor zover hier van belang, wordt voor de berekening van een uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat, als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer verdiende in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ziekte die, of het gebrek dat, tot volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid heeft geleid, is ingetreden.

Op grond van artikel 13, derde lid, van de Wet WIA, worden bij algemene maatregel van bestuur met betrekking tot de vaststelling van het dagloon, bedoeld in het eerste lid, en de herziening ervan, nadere en zo nodig afwijkende regels gesteld.



3.2
Deze regels zijn neergelegd in het Dagloonbesluit, zoals dit gold ten tijde in geding.



3.3
Op grond van artikel 1, aanhef en onder a, van het Dagloonbesluit wordt in dit besluit onder aangiftetijdvak verstaan: het tijdvak van vier weken danwel één maand waarop de aangifte waarop de ingehouden loonbelasting wordt afgedragen betrekking heeft, danwel indien de werkgever over een afwijkend tijdvak aangifte doet, het tijdvak waarover loon is betaald van één of vier weken of herleid tot één maand of vier weken.



3.4
Op grond van artikel 13, eerste lid, van het Dagloonbesluit, voor zover hier van belang, wordt onder referteperiode verstaan de periode van één jaar die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden.



3.5
Op grond van artikel 14, aanhef, van het Dagloonbesluit, voor zover hier van belang, wordt onder loon verstaan loon in de zin van artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen.



3.6
Op grond van artikel 15, eerste lid, van het Dagloonbesluit, voor zover hier van belang, wordt de werknemer geacht zijn loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarover een werkgever van dat loon opgave heeft gedaan.


3.7
Op grond van artikel 16, eerste lid, van het Dagloonbesluit, voor zover hier van belang, is het dagloon van de uitkering op grond van de Wet WIA de uitkomst van de volgende berekening:

[(A - B) x 108/100 + C] / D

waarbij:
A staat voor het loon dat de werknemer in de referteperiode heeft genoten bij een werkgever die vakantiebijslag reserveert;
B staat voor de bedragen aan vakantiebijslag die de werknemer in de referteperiode heeft genoten;
C staat voor het loon dat de werknemer in de referteperiode heeft genoten bij een werkgever die geen vakantiegeld reserveert; en
D staat voor 261.

Op grond van het vierde lid van dit artikel, voor zover hier van belang, wordt indien het loon in de referteperiode geheel of gedeeltelijk heeft bestaan uit een uitkering voor de toepassing van het eerste lid het bedrag van de uitkering gesteld op de uitkomst van de volgende berekening:

((100 x E) / F)

waarbij:
E staat voor de uitkering; en
F staat voor:
a. 70.

Op grond van het vijfde lid van dit artikel wordt voor zover het vierde lid van toepassing is, voor de toepassing van het eerste lid, het bedrag van de vakantiebijslag behorende bij de uitkeringen bedoeld in het vierde lid, gesteld op de uitkomst van de volgende berekening:

(100 x G) / H

waarbij:
G staat voor de vakantiebijslag die in het in aanmerking te nemen tijdvak is genoten; en
H gelijk is aan de factor F, bedoeld in het vierde lid.



3.8
Op grond van artikel 18, eerste lid, van het Dagloonbesluit wordt het dagloon van de werknemer die vanaf de aanvang van de referteperiode tot en met de laatste dag van het eerste volledige aangiftetijdvak van dat jaar geen loon als bedoeld in artikel 14 of 15 heeft genoten, vastgesteld door bij de toepassing van artikel 16, eerste lid, «261» te vervangen door: het aantal dagloondagen vanaf en met inbegrip van de dag waarop de dienstbetrekking is aangevangen tot en met de laatste dag van de referteperiode.

4. Beoordeling door de rechtbank.



4.1
Verweerder heeft de referteperiode correct vastgesteld, nu eiseres op 26 juni 2014
ziek is geworden vanuit de dienstbetrekking met Randstad, die op 26 augustus 2013 is aangevangen. Op grond van artikel 13 van de Wet WIA in samenhang bezien met artikel 13, eerste lid, van het Dagloonbesluit loopt de referteperiode van 1 juni 2013 tot 1 juni 2014.


4.2
Anders dan eiseres heeft opgemerkt, is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit, daar waar hij de berekening van het dagloon van eisers toelicht op pagina 3 van 5, voldoende goed tot uitdrukking heeft gebracht welke aangiftetijdvakken door zowel verweerder als door Randstad zijn gehanteerd. Het betreffen de volgende aangiftetijdvakken:
 juni 2013 (verweerder);
 september 2013 [werkgever] );
 oktober 2013 ( [werkgever] ;
 november 2013 ( [werkgever] ;
 december 2013 [werkgever] );
 januari 2014 [werkgever] ;
 februari 2014 [werkgever]
 maart 2014 [werkgever]
 april 2014 ( [werkgever] ) en
 mei 2014 ( [werkgever] .
Met verweerder is de rechtbank vervolgens van oordeel dat week 35 van het jaar 2013 binnen de referteperiode valt. Verweerder heeft deze week daarom terecht meegenomen in de berekening van het dagloon voor de Wet WIA. Dit geldt niet voor week 22 van het jaar 2014. Deze week heeft verweerder dan ook terecht buiten beschouwing gelaten. De uitspraak van de Raad van 22 juni 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:2347) waarnaar eiseres in dit verband heeft verwezen, kan hieraan niet afdoen. Deze uitspraak ziet op de dagloonvaststelling voor de ZW, welke wet een eigen (en andersluidend) hoofdstuk in het Dagloonbesluit kent voor de vaststelling van het dagloon.



4.3
De rechtbank volgt eiseres niet in het door haar ingenomen standpunt dat zij heeft te gelden als starter/herintreder. Eiseres voldoet niet aan de voorwaarde van artikel 18, eerste lid, van het Dagloonbesluit, nu in haar geval geen sprake is van een situatie waarin zij vanaf de aanvang van de referteperiode tot en met de laatste dag van het eerste volledige aangiftetijdvak van dat jaar geen loon als bedoeld in artikel 14 of 15 heeft genoten. Dit om de reden dat zij in juni 2013 nog WW-uitkering genoot.



4.4
De rechtbank volgt eiseres voorts niet in haar standpunt dat toepassing van de hoofdregel van de Wet WIA, waarbij factor D bestaat uit 261 dagen, in haar geval leidt tot een dagloon dat niet in een juiste verhouding staat tot het gederfde loon. Aan het gegeven dat eiseres van 20 juni 2013 tot 26 augustus 2013 een Wwb-uitkering heeft ontvangen, welke uitkering niet heeft te gelden als loon, kan door verweerder noch door de rechtbank voorbij worden gegaan. Als gevolg hiervan valt het dagloon van eiseres lager uit. Eiseres heeft onvoldoende onderbouwd waarom dit in haar geval zo onredelijk uitvalt dat de hoofdregel buiten toepassing moet worden gelaten. De rechtbank merkt op dat de uitspraken van de Raad van 30 december 2015 en 8 juni 2016 waarnaar eiseres heeft verwezen haar in dit verband niet kunnen baten. De eerste uitspraak ziet op een appellante die een starter/ herintreder was en de tweede uitspraak ziet op een appellant aan wie WW-maatregelen waren opgelegd, wat gevolgen had voor het dagloon van de Wet WIA. De situatie waarin eiseres verkeert, is hieraan niet gelijk te stellen, zodat de oordelen van de Raad in deze uitspraken in haar situatie niet kunnen opgaan.



4.5
Gezien het vorenstaande en gelet op het feit dat eiseres geen andere gronden heeft aangevoerd tegen de wijze waarop verweerder de hoogte van het dagloon heeft berekend, is de rechtbank van oordeel dat verweerder het dagloon correct heeft vastgesteld op € 87,16.

5. Het beroep van eiseres dient ongegrond te worden verklaard.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.





Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. D. van der Sluis, voorzitter, en mr. P. Vrolijk en
mr. A. Pahladsingh, leden, in aanwezigheid van mr. H. van der Waal-de Vries, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2017.





griffier voorzitter


Afschrift verzonden aan partijen op:




Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Link naar deze uitspraak