Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
(0548) 54 00 54 (G.J. Steunenberg)
ECLI:NL:HR:2017:1106 
 
Datum uitspraak:16-06-2017
Datum gepubliceerd:16-06-2017
Instantie:Hoge Raad
Zaaknummers:16/01840
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Onrechtmatige daad, hinder. Onrechtmatige stankhinder bij exploitatie pluimveebedrijf tussen 2002-2008? Mocht het hof bij de beoordeling van die vraag inspiratie putten uit normen van de in 2007 van kracht geworden Wet geurhinder en veehouderij?
Trefwoorden:geurhinder
veehouderij
wet milieubeheer
 
Uitspraak
16 juni 2017
Eerste Kamer
16/01840
LZ/JS


Hoge Raad der Nederlanden

Arrest


in de zaak van:

1. [eiser 1],wonende te [woonplaats],
2. [eiseres 2],gevestigd te [vestigingsplaats],
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr. A.C. van Schaick,


t e g e n


1. [verweerder 1],wonende te [woonplaats],
2. [verweerder 2],wonende te [woonplaats],
3. [verweerder 3],wonende te [woonplaats],
4. [verweerder 4],wonende te [woonplaats],
5. [verweerder 5],wonende te [woonplaats],
6. [verweerder 6],wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
advocaat: mr. M.J. van Basten Batenburg.

Eisers zullen hierna ieder afzonderlijk ook worden aangeduid als [eiser 1], respectievelijk [eiseres 2], en tezamen als [eisers], en verweerders als [verweerder] c.s.




1Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 210734/HA ZA 11-51 van de rechtbank Arnhem van 4 mei 2011, 5 oktober 2011, 29 februari 2012 en 27 juni 2012;
b. de arresten in de zaken 200.101.597 en 200.123.630 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 januari 2014, 17 februari 2015 en 8 december 2015.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.




2Het geding in cassatie
Tegen de arresten van het hof van 17 februari 2015 en 8 december 2015 hebben [eisers] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[verweerder] c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor [verweerder] c.s. toegelicht door hun advocaat.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eisers] heeft bij brief van 23 maart 2017 op die conclusie gereageerd.




3Beoordeling van het middel

3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [eiser 1] dan wel [eiseres 2] heeft van 14 november 2002 tot 1 september 2008 te Groesbeek een pluimveebedrijf (hierna: de inrichting) geëxploiteerd. Onder meer bij besluit van 6 november 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groesbeek (hierna: de gemeente) daartoe een (revisie)vergunning verleend op grond van de Wet milieubeheer.
(ii) Bij uitspraak van 20 november 2002 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de vergunning van 6 november 2001 vernietigd, op de grond dat bij de aanvraag geen milieu-effectrapport was overgelegd.
(iii) De inrichting is vervolgens in werking gehouden, al dan niet gesteund door gemeentelijke gedoogbeschikkingen.
(iv) De gemeente heeft op 1 maart 2006 aan [eiser 1] wederom een vergunning op grond van de Wet milieubeheer verleend. Deze vergunning is door de Afdeling bestuursrechtspraak vernietigd bij uitspraak van 22 november 2006.
(v) Op 3 april 2007 heeft de gemeente aan [eiser 1] opnieuw een vergunning op grond van de Wet Milieubeheer verleend. Bij uitspraak van 27 februari 2008 is ook deze vergunning door de Afdeling Bestuursrechtspraak vernietigd. De Afdeling voorzag zelf in de zaak en weigerde de gevraagde vergunning.
(vi) De inrichting is op 1 september 2008 onder dreiging van handhaving (last onder dwangsom) buiten werking gesteld.
(vii) Vanaf 2 februari 2011 beschikt [eiser 1] over een nieuwe vergunning voor een inrichting met een andere bedrijfsvoering (minder dieren en een gewijzigde luchtventilatiehuishouding).
(viii) [verweerder] c.s. waren in de periode van 14 november 2002 tot 1 september 2008, of een deel daarvan, ieder afzonderlijk eigenaar van een recreatiewoning in het nabij de inrichting gelegen park ‘Villapark De Zeven Heuvelen’.


3.2.1

[verweerder] c.s. vorderen in deze procedure onder meer een verklaring voor recht en veroordeling van [eisers] tot betaling van schadevergoeding ter zake van onrechtmatig toegebrachte stankhinder in de periode van 14 november 2002 tot 1 september 2008. De rechtbank heeft de vorderingen (wegens verjaring) afgewezen wat betreft de periode tot 1 april 2003 en voor het overige grotendeels toegewezen.



3.2.2
Het hof heeft de vonnissen van de rechtbank, behoudens wat betreft het aan [verweerder 6] (verweerder in cassatie onder 6) toegewezen schadebedrag, bekrachtigd. Het heeft daartoe, voor zover in cassatie van belang, in zijn tussenarrest van 17 februari 2015 overwogen:
“5.14. (…) Het ten tijde van de onderhavige vergunningverlening vigerende vergunningsstelsel van de Wet milieubeheer strekt ertoe de omgeving van de inrichting te beschermen tegen vanuit de inrichting komend ‘onheil’. Afstandseisen tot aangrenzende percelen als door [eisers] bedoeld worden in de Wet milieubeheer als zodanig niet gesteld. Van de ten tijde van de verlening van de onderhavige (mede op verzoek van de Vereniging ‘Villapark De Zeven Heuvelen’ vernietigde) vergunningen gebruikte beleidsregels (Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 en de brochure Veehouderij en Hinderwet) is door [verweerder] c.s. met het in eerste aanleg (…) overgelegde rapport van [A] bovendien - verder onbestreden - geadstrueerd dat deze beleidsregels (‘het traditionele toetsingskader’) geen bruikbare milieutechnische inzichten bieden voor de vaststelling van het feitelijke geurhinderniveau (…). Vanaf januari 2007 geldt de Wet geurhinder en veehouderij. Op basis van die regelgeving komt [A] in verband met de geurbelasting ter plaatse van de woningen van [verweerder] c.s. in zijn rapport tot de volgende conclusie:

‘De geurbelasting ter plaatse van de woningen van uw cliënten heeft in de situatie waarin de stal met volle bezetting (300.000 legkippen) in werking was, 5 à 7 ou/m³ bedragen. Dit is 2,5 à 3,5 maal meer dan de norm van 2 ou/m³. De norm van 2 ou/m³ wordt wettelijk als acceptabel hinderniveau gezien voor geurgevoelige objecten in een bebouwde kom. In de systematiek van het RIVM komt de feitelijk opgetreden geurhinder overeen met een tamelijk slecht tot slecht leefklimaat (hinderpercentages tussen de 21% en 26%). Op basis van de aard van de geur zouden de genoemde geurbelastingen onaangenaam tot zeer onaangenaam zijn (conform de systematiek NVN 2818).’

Evenals de rechtbank (…) acht het hof het onder deze, als zodanig niet bestreden, omstandigheden en min of meer ernstig hinderniveau juist om ter beantwoording van de vraag of voor [verweerder] c.s. sprake is geweest van vanuit de - zonder vergunning in werking zijnde - inrichting komend onheil, waartegen de Wet milieubeheer [verweerder] c.s. bescherming beoogde te bieden, inspiratie te putten uit de door [A] toegepaste maatstaven van de Wet geurhinder en veehouderij. Uit het op die Wet gebaseerde, in zoverre onbestreden, oordeel van [A] omtrent het feitelijke hinderniveau (tamelijk slecht tot slecht leefklimaat en onaangename tot zeer onaangename geurbelastingen) blijkt voldoende van - onrechtmatig - vanuit de inrichting komend onheil voor [verweerder] c.s., waartegen de Wet milieubeheer ook [verweerder] c.s. bescherming bood.




5.15
Bij gebrek aan genoegzaam verweer van [eisers] zal het hof dus uitgaan van een situatie waarin van handelen dat [eisers] bij vergunningverlening zou zijn toegestaan, in de onderhavige periode (van 14 november 2002 tot 1 september 2008) noch vóór noch na 1 januari 2007 sprake is geweest. Het desbetreffende handelen van [eisers] is mede onrechtmatig jegens [verweerder] c.s., die in zoverre van onheil als gevolg van bedoeld onrechtmatig handelen voor hen sprake is geweest, geacht moeten worden mede onder het beschermingsbereik van het in de Wet milieubeheer opgenomen vergunningsregime te vallen en daaraan bescherming konden ontlenen. Aan het relativiteitsvereiste is in zoverre voldaan.
Dit geldt tevens voor het causaliteitsvereiste ten aanzien van de voor [verweerder] c.s. schadelijke gevolgen van bedoeld onrechtmatig handelen van [eisers] (…).”


3.3.1
Onderdeel 1 klaagt onder meer dat het hof bij de beoordeling of [eisers] onrechtmatige hinder hebben toegebracht aan [verweerder] c.s., had moeten toetsen aan het ten tijde van de gestelde hinder geldende toetsingskader, te weten de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 (hierna: de Richtlijn 1996) en de Brochure Veehouderij en Hinderwet 1985 (hierna: de Brochure). Dit toetsingskader gold in ieder geval tot 1 januari 2007, het tijdstip waarop de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) in werking is getreden, en volgens [eisers] zelfs tot 27 februari 2008 (de datum van de vernietiging door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de verleende vergunning). Volgens dat toetsingskader moest een bepaalde minimumafstand worden aangehouden tussen de inrichting die de geurhinder veroorzaakt en de te beschermen objecten (in dit geval: de in de nabijheid gelegen recreatiewoningen van [verweerder] c.s.) en volgens [eisers] voldeed de afstand tussen beide ruimschoots aan deze norm: de minimumafstand is 400 meter en de werkelijke afstand tot de dichtstbijzijnde woning op het villapark is 427 meter. Met toepassing van de normen van de Wgv wordt aan deze wet feitelijk terugwerkende kracht verleend.



3.3.2
Art. 5:37 BW bepaalt dat de eigenaar van een erf niet in een mate of op een wijze die volgens art. 6:162 BW onrechtmatig is, aan eigenaars van andere erven hinder mag toebrengen, zoals door het verspreiden van stank. Of het veroorzaken van hinder – bijvoorbeeld door het verspreiden van stank – onrechtmatig is, is volgens vaste rechtspraak afhankelijk van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor veroorzaakte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waaronder de plaatselijke omstandigheden (HR 3 mei 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0235, NJ 1991/476). Daarbij is het beschikken over of juist het ontbreken van een publiekrechtelijk vereiste vergunning niet zonder meer bepalend voor het antwoord op de vraag of jegens een bepaalde derde sprake is geweest van onrechtmatige hinder (zie onder meer HR 21 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8823, NJ 2006/418 en HR 2 september 2011 ECLI:NL:HR:2011:BQ5099, NJ 2011/392).



3.3.3
Uit het voorgaande vloeit voort dat voor het antwoord op de vraag of sprake was van onrechtmatige geurhinder, niet zonder meer bepalend was of werd voldaan aan de destijds geldende publiekrechtelijke regelgeving waarop het onderdeel zich beroept.



3.3.4
Het hof heeft zijn oordeel gebaseerd op het door [verweerder] c.s. overgelegde rapport van [A], waarin wordt geconcludeerd dat de geurbelasting naar de maatstaven van de (voor 1 januari 2007 nog niet van kracht zijnde) Wgv zou worden aangemerkt als ‘onaangenaam’ tot ‘zeer onaangenaam’ en de geurhinder zou overeenkomen met een ‘tamelijk slecht’ tot ‘slecht’ leefklimaat. Het hof heeft het juist geacht om in dit geval ‘inspiratie te putten’ uit de door [A] toegepaste maatstaven van die wet. Het heeft daarbij overwogen dat de voordien geldende beleidsregels (de Richtlijn 1996 en de Brochure) geen bruikbare milieutechnische inzichten boden voor de vaststelling van het feitelijke geurhinderniveau. Dit strookt met hetgeen is vermeld in de memorie van toelichting bij de Wgv, waarin tevens is opgemerkt dat al in de Richtlijn 1996 een wijziging van beleid inzake stankoverlast vanuit veehouderijen is aangekondigd en dat in 2001 is vastgesteld dat het toen geldende beoordelingskader (minimumafstanden) als onvoldoende werd ervaren (Kamerstukken II 2005-2006, 30 453, nr. 3, p. 2-3).
Mede gelet op hetgeen hiervoor in 3.3.2 en 3.3.3 is overwogen, heeft het hof niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door zijn op art. 5:37 BW gegronde oordeel te baseren op het rapport van [A], waarin het feitelijke geurhinderniveau was berekend naar objectieve maatstaven volgens recente inzichten. Ook is dat oordeel toereikend gemotiveerd.



3.3.5
Gelet op het voorgaande falen de hiervoor in 3.3.1 vermelde klachten van onderdeel 1.




3.4
Voor zover de overige klachten van het middel niet reeds afstuiten op het bovenstaande, kunnen zij evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.





4Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eisers] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] c.s. begroot op € 396,34 aan voorschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, als voorzitter, G. de Groot, M.V. Polak, T.H. Tanja-van den Broek en M.J. Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 16 juni 2017.
Link naar deze uitspraak